boeken voor kleine en grote kinderen

Archive for the ‘Uncategorized’ Category

Laat het altijd winter zijn

In Uncategorized on januari 19, 2017 at 11:35 am

Ik legde gisteren vers stro in het kippenhok en vond daar dertien eieren: twaalf witte en één bruin. Ze hadden er plots weer zin in gekregen, en ik met hen. Hun verenkleed staat breed, er loopt dubbel zoveel kip door de tuin. Ik voel me hun moeder als ze me op de voet volgen, maar ze willen enkel iets te bikken (al kennen ze complexe gevoelens als frustratie en verveling, stond in de krant te lezen, en ze zijn ook niet vies van een vriendelijk woord of een aai, het zijn net pubers). Als er niets meer te pikken valt, zoeken ze de zon op. De grond is te hard om een kuil te graven maar ze hebben hun donsdeken klaar. Met de eieren maken ze veel mogelijk, hierbinnen. Gisteren Nutellakoekjes. Vandaag boekweitpannenkoeken.
Het jongste kind is thuis, bleek als een dweil, hij speelt piano met zijn warme handen, gniffelt om de naam van de componist, gaat dan helemaal loos met de noten, Ludwig Schytte, Bach en Pachelbel, hij slaat ze allemaal aaneen tot één groot stuk, vol uitbundige en soms ook ingetogen thema’s en ritmes, hij ontfermt zich over de toetsen tot het dampt in huis.
Ondertussen spelen we al vijf dagen Monopoly en de strijd is nog niet beslecht. ’s Nachts hertekenen de katten de stad, de straten veranderen van eigenaar, het geld wordt verschoven onder de tafel. ’s Ochtends vechten ze, zijn ze onverbiddelijk, ze blazen en klauwen, jij moet je plaats kennen, denkt de oudste, ijskoningin die ze is met haar sneeuwwitte vacht, maar de tijger valt toch aan, en het lijkt elke keer over leven en dood te gaan. Daarna liggen ze urenlang hun ingebeelde wonden te likken, in wel honderd posities, nu eens kop tussen de poten, dan weer kwetsbaar op de rug als een pasgeboren baby, zodat wij bijna niet anders kunnen dan hun alle kanten op staande wintervacht aaien. Geniet ervan, zeggen ze dan met hun tot spleetjes geknepen ogen, straks is het voorbij en ga ik je gordijnen weer in.
De tram piept en knerpt meer nu het vriest, hij dendert om de tien minuten voorbij en herinnert aan de wereld daarbuiten, in de stad is het minder koud.
De middelste zoon kwam gisteravond met paarse handen en blauwe knokkels thuis van de theatergroep, het enige wat hij over die lessen wil lossen is dat zijn docent een rosse baard heeft, hij is trots op zijn handen, we mogen er allemaal eens aan voelen, er staat voor één keer geen piemel op en de kou voelen we niet.
Ik lees een boek over hoe je beter kunt lezen (van Lidewijde Paris, die kan pas lezen), probeer het meteen uit op ‘Vaak ben ik gelukkig’ van Jens Christian Gröndahl, vraag me af waarom ik al zoveel boeken schreef voor ik eigenlijk goed kon lezen, wil ik echt een in het duister tastende debutant blijven? Ik wil denk ik vooral de passie niet verliezen. Ik herinner me de bevroren handen van toen ik kind was, we vertellen erover tegen elkaar onder een deken, hoe de pijn van het ontdooien ons deed huilen.

081_001 16143947_10210604221237025_2125017271_n 16144860_10210604220877016_95235111_n16176200_10210604278078446_1305096329_n
Misschien zijn winterherinneringen wel de mooiste. Er mogen van mij wat bergen bij. We waren kinderen, mijn zus en ik en nog een paar anderen mochten nog naar buiten ver over bedtijd, de maan liet de sneeuw glanzen en verjoeg het donker, we sliepen tweeduizend meter hoger dan de zeespiegel, in de bergen aan de overkant stond een pijl van bomen, we waren niet bang en ik heb het nooit meer zo stil geweten als die nacht. Ik woon waar het plat is en lelijk maar kan bergen zien in wolken, in bomen, in hopen zand op bouwterreinen. Maar alleen als het koud is.

Laat het altijd winter zijn. Laat het altijd vriezen. Laat het binnen warm zijn, en buiten ijskoud. Laat het niet, nooit meer andersom zijn.

Bewaren

Gelukkig nieuwjaar (en voor iedereen een schrijver)

In Uncategorized on januari 13, 2017 at 9:25 am

Ik ben goed in dingen opstarten en dan ergens onderweg verdwalen en vergeten dat ik überhaupt iets had opgestart. (Überhaupt. Wat een akelig woord, ik moet dat in 2017 maar niet meer gebruiken). Het kan gaan om iets eenvoudigs als elk jaar een schrijver bedanken en deze wens de wereld in sturen: dat iedereen een nieuwe schrijver mag ontdekken. Ik heb het al eens een jaartje nagelaten te doen, maar pik die goede gewoonte nu graag weer op, omdat er geen enkele twijfel kan bestaan wie ik wil bedanken. Ik las nochtans veel moois vorig jaar(nog iets wat ik me regelmatig voorneem en verzuim te doen: opschrijven welke boeken ik lees en wil lezen). Er was ‘Liefde’ van Knausgard, ligt te wachten tot ik verder lees, er was Patti Smith met ‘Just Kids’ en ‘M Train’, er was ‘The passion’ van Jeanette Winterson (‘Do it from the heart or not at all’). Ik moet dringend ‘In gratitude’ van Jenny Diski lezen, in mei komt de nieuwe Johann Harstadt uit (hoera!), er was veel en er is veel. Maar nu ben ik over de helft in ‘Ik heet Lucy Barton’ van Elizabeth Strout, en ik weet niet goed wat ik nu moet doen, het boek uitlezen en beseffen dat het mooiste van 2017 al achter de rug is of het opsparen tot ik het nodig heb? Ik kan het herlezen natuurlijk en dat zal ik ook, in het Engels, want dat is de taal waarin Elizabeth Strout het schreef, maar nooit zal het nog hetzelfde zijn. Ik zoek een citaat om jullie te overtuigen (en nu uitkijken dat ik niet het halve boek overtik).

‘Maar het komt ook wel eens voor, onverwachts, als ik op een zonbeschenen stoep loop of de kruin van een boom in de wind zie buigen, of een novemberlucht laag boven de East River zie hangen, dat ik opeens overweldigd word door een besef van diepe duisternis, zodat er misschien wel een geluidje aan mijn lippen ontsnapt, en dan loop ik de dichtstbijzijnde modezaak in om met een onbekende een gesprek aan te knopen over de snit van sweaters uit de nieuwe collectie. Op die manier moeten de meeste mensen zich door de wereld bewegen, half en half iets beseffend, bekropen door herinneringen die onmogelijk waar kunnen zijn. Maar wanneer ik anderen zelfverzekerd over straat zie lopen, alsof ze geen greintje angst kennen, begrijp ik dat ik niet weet hoe anderen zijn. Veel in het leven lijkt pure speculatie.’

‘Ik moest bij de verpleegsterspost op een stoel gaan zitten terwijl ik mijn best deed om niet te huilen. Kiespijn sloeg haar arm om me heen, en om die reden hou ik nog steeds van haar. Ik vind het weleens jammer dat Tennessee Williams die tekst voor Blanche DuBois heeft geschreven: ‘Ik heb me altijd verlaten op de vriendelijkheid van vreemden.’ Veel mensen zijn vele malen gered door de vriendelijkheid van vreemden, maar na een tijd klinkt dat banaal, als een cliché. En dat vind ik jammer, dat mooie, ware woorden te vaak worden herhaald waardoor ze zo oppervlakkig gaan klinken als een cliché.’

‘Sarah Payne zei: Als er een zwakke plek in je verhaal zit moet je er meteen iets aan doen, zet je tanden erin en doe er iets aan, voordat de lezer het doorheeft. Zo krijg je gezag, zei ze op een van de cursusdagen waarop de vermoeidheid van het lesgeven op haar gezicht te lezen was.’

Twee recensenten hadden zich al lyrisch uitgelaten over dit boek, en mijn moeder stuurde er ook mails met veel uitroeptekens en hoofdletters over (bedankt, mama!). Ik kreeg vorige week nog de vraag wie eigenlijk mijn lievelingsschrijver was, ‘Richard Yates’, antwoordde ik met een licht paniekgevoel, ook hier weer snelt Elizabeth Strout te hulp: ‘Ze kon zelfs nauwelijks zeggen hoe ze heette! En ik had het gevoel dat ik ook dat begreep.’ Er zijn mensen die het niet erg vinden dat ik niets met zekerheid weet, vrienden en vreemden. E. Strout weer: ‘Er wordt voortdurend geoordeeld in deze wereld: hoe kunnen we ervoor zorgen dat we ons niet de mindere voelen dan de ander?’ (En ook nog: ‘Het is niet onze bedoeling zo kleingeestig te zijn. Heb medelijden met ons – dat gaat vaak door me heen – heb medelijden met ons allemaal.’ Ja, ik moet nu echt stoppen.) Elke schrijver heeft één verhaal, zegt mijn nieuwe goeroe, ik denk dat ik het daarmee eens ben.

Ik schreef dit gisteren en las ondertussen het boek uit – tot zover díe twijfel – maar er waren verzachtende omstandigheden. Ik reed in de regen naar huis, mijn fietslampjes lieten het allebei afweten, de wanhoop werd bij elke trap groter, thuis wacht een warm bad, sprak ik mezelf moed in terwijl vrachtwagens me alvast voorspoelden, er resten je nog wel zestig bladzijden Strout.

Vandaag zeg ik: tik die twee laatste hoofdstukken niet over. Bedank liever Elizabeth Strout en bak daarna rozijnenbrood.

Heb medelijden met ons, ook in 2017. Gelukkig zal het nieuwe jaar zijn.

15978172_10210547607581719_383052848_n 15978264_10210547654662896_1672353651_n 15978259_10210547607621720_1684788269_n 15978220_10210547617021955_1131312796_n 15978203_10210547607101707_1982582763_n  15978566_10210547606301687_1289121802_n 15978443_10210547655142908_1778254016_n 15978429_10210547606741698_2121197797_n 15978417_10210547607141708_1759806265_n 15978375_10210547606861701_802260149_n 16111635_10210547607301712_227263666_n 16111616_10210547654902902_669198717_n 16111579_10210547607741723_1868302788_n 15978870_10210547654862901_1504067713_n 15978829_10210547607021705_41133233_n 15978912_10210547654822900_367619626_n 16111986_10210547607501717_247580054_n 16111893_10210547616581944_1691552987_n 16111772_10210547654742898_1190760250_n 16111676_10210547654422890_2115104342_n 15995428_10210547606421690_761721534_n 15979022_10210547655102907_2038592469_n  15978964_10210547606101682_2090742269_n 15978944_10210547606941703_400057264_n 15979004_10210547820067031_381986699_n 15995989_10210547613061856_657627167_n 15910182_10209134198326057_670467643_n 15995761_10210547606381689_38803273_n 15995473_10210547607261711_1180112983_n 16111152_10210547607341713_626562972_n 15942449_10210547820387039_621464868_n16111450_10210547820267036_433331052_n 15996168_10210547606461691_224394064_n 15996088_10210547612981854_2104425315_n 15996067_10210547607661721_924533278_n 15227858_10210076726769993_1580417439_n 16111198_10210547607181709_859441434_n

Bewaren

De pijn, de blijdschap, de bosklas

In Over mijn werk, Uncategorized on oktober 10, 2016 at 4:31 pm

dsc02733dsc02747Je zet een kind op de wereld en alles wat daarrond hangt is acuut en helder en explosief, het draait om leven en dood. Daarna wordt hij langzaam wie hij is, het kabbelt, als het goed gaat tenminste. Deze zaterdag werd hij al tien, en vandaag vertrok hij op bosklas. Deze post dreigt belachelijk persoonlijk te worden, maar toch moet het even – het gaat over schrijven. De pijn en de blijdschap van het begin vallen niet te beschrijven en dat hoeft ook niet want ze vallen onder de categorie oergevoelens. Voor mij zijn de beelden van dat moment iconisch, er zit geen ruis op. Links: dé pijn, ik heb pijn, en hij heeft pijn (ook al zie je hem niet). Rechts: dé blijdschap, ik ben blij, en hij, tja, hij hapt naar adem. Alle begin is gemakkelijk.

Het is pas daarna dat het verwarring troef is, dat er ruis komt op wat we voelen. Neem nu een vertrek op bosklas. Ik spreek voor mezelf, beschouw de bus als de buik waar hij tien jaar geleden in zat en zie hem zitten bij het raam, zijn hand kleeft tegen het venster. Ik voel de duizend dingen die ik zie in zijn blik. Maar een explosie is het niet, het is eerder het tegenovergestelde, laat ik het een implosie van gevoelens noemen. Natuurlijk is dat geen groot drama – er rolde niet één traan. Toch wou ik dat er een foto bestond van dat zwarte gat in mij, een bewijs, iets. Dat kan natuurlijk niet, ik weet het wel, een implosie is onzichtbaar. Dus neem ik mijn toevlucht tot een tragere weg: woorden. In de Van Dale staan er honderdduizenden, en ik ben ondertussen al lang genoeg aan het schrijven om te weten dat de juiste woorden er altijd tussen staan. Ze zitten soms goed verstopt soms, maar ik heb tijd: mijn jongste is namelijk niet thuis.

Bewaren

Auteur, huisvrouw, hoedster van kippen en zonen

In Over mijn werk, Recensies, Uncategorized on september 19, 2016 at 8:51 am

In september moet ik mezelf altijd tot de orde roepen, wie ben ik en wat doe ik hier, die vragen. Na wat opzoekwerk blijkt dat ik wel degelijk een identiteit heb: ik schrijf zelfs boeken, al is het niet helemaal duidelijk wat voor soort. Maar het levert wel leuke stukjes op. In De Morgen bijvoorbeeld, in NRC Handelsblad en op JaapLeest. Die laatste schrijft:
Gibbe en de maandagman is één van de merkwaardigste kinderboeken die ik de afgelopen jaren las. De makers nemen halverwege pauze (‘als je een tekening van de directeur wil, dan kan je die hiernaast maken. tot zo’) en auteur Evelien de Vlieger gaat met veel zelfspot in op hun namen. Over haar eigen naam:  ‘Al die ijle e’s en ie’s. We kunnen alleen maar hopen dat het haar echte naam niet is. Zweven is leuk, maar je moet ook eens met je voeten op de grond staan’. Over de naam van tekenaar Karst-Janneke Rogaar: ‘De bevalling moet erg veel pijn gedaan hebben, alsof haar moeder geen malse baby maar een zak aanmaakhoutjes op de wereld zette. Sommige van haar tekeningen zijn als splinters in je ogen. Je kunt er beter niet te lang naar kijken’. Gibbe en de maandagman hangt van de ironie en absurditeit aan elkaar en tart alle wetten van het kinderboek. Soms is er sprake van een verhaal, dan wordt daar weer uitgestapt, wordt de lezer rechtstreeks aan gesproken, wordt benadrukt waar het verhaal niet over gaat en dat het zich over tien jaar afspeelt, of worden er malle en zeer geestige lijstjes geplaatst. ( De moeder van Gibbe moet ook nog huisvrouw zijn en dat takenpakket is zwaar: ‘Het fruit alfabetisch rangschikken, de houten vloer water geven, de kruimeldief op het rechte pad brengen, eenzame sokken gezelschap houden‘).

img-20160615-wa0000

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het allerleukste is nog wel dat mijn oudste zonen een filmpje gemaakt hebben over Gibbe: https://www.facebook.com/evelien.devlieger. Beter dan dit krijg ik het hier niet geplaatst (aan mijn digitale identiteit is nog werk, tips welkom), dus gewoon even doorklikken en dan zorgen dat je geen levenslange FB-verslaving oploopt.
En nu ga ik nog een boek schrijven.

Bewaren

Bewaren

Superleuk (maar nu even zonder mij)

In Uncategorized on januari 28, 2016 at 2:37 pm

resolveIk en Facebook, het was nooit een goede match. Ergens in december besloot ik dat ik er maar eens van weg moest blijven. Het verwonderlijkste was dat ik niet eens last had van afkickverschijnselen. Integendeel, ik leek te ontwaken uit een bizarre droom waarin allerlei mensen figureerden die ik niet echt kende en die soms griezelig dicht tegen mijn netvlies hingen. Voorheen werd ik al eens wakker met de gedachte: ‘hoe zou het nu met het kind van xx zijn? zou hij al genezen/op het rechte pad/geboren zijn’, terwijl ik noch xx noch dat kind ooit had ontmoet. Dat was nu voorbij, ik kon weer terug naar mijn eigen demonen en visioenen. Je kunt ook te veel mensen niet kennen. Ik kon me weer op de voortdurende updates in mijn eigen hoofd richten – dat zijn er al meer dan genoeg. Natuurlijk miste ik nu elke dag al die fantastische dingen die er te lezen en te bekijken vielen, maar als ik eerlijk ben was ik daar niet echt naar op zoek. Wat ik wel deed was de hele dag lang checken of er niets was wat mijn dag zou maken, iets waar ik mee verder kon. Dat ik maar zelden langs iets dergelijks scrollde, weerhield me er toch niet van om telkens weer even te gaan kijken. Tijdens die zoektochten heb ik van jullie gehouden, lieve Facebookvrienden, ik heb goed gelachen met jullie komkommertijdingen, ik heb met jullie meegeleefd en voor jullie geduimd toen het erop aankwam. Maar na honderden, duizenden ‘vind-ik-leuks’ raakte mijn duim moegeklikt en mijn hoofd beneveld. Als je een analytische geest hebt, houd je het overzicht wel en dan is er geen enkel probleem, je leest wat je interesseert, klikt weg wat je niet boeit, klaar. Maar mij lukt dat niet, ik verlies me in de details. Ik voel me aangesproken door het minste, schuldig als ik niets leuk vind – deze Wiedergutmachungsblog zegt het helemaal – en ook al zien mensen me niet, toch denk ik vaak: keek die of die nu net afkeurend mijn richting uit? Bovendien is er ook een zekere insijpeling van intimiteit bij mensen die zelfs geen kennissen zijn, terwijl de dierbaren dan weer de formelere toer durven op te gaan. Van beide stuwingen raak ik in de war. Het zal al wel duidelijk zijn: ik gedij niet goed in het medium. Geef mij één vriend of vriendin en ik vlij me als een kat in het gesprek, gooi mij in de massa en ik krijg last van het verschrikte-konijnensyndroom. Als medium om dingen te delen is FB onovertroffen, mijn vorige blogpost ‘Weg met jeugdboeken’ bereikte een veelvoud aan lezers omdat ik hem aan Facebook linkte, dus dat moet ik nu en dan maar blijven doen. Maar daarna klap ik Facebook meteen weer dicht en stop ik mijn 533 vrienden tijdelijk in, de meesten liggen daar knus en behaaglijk. En in afwachting van een sociaal-digitale groeispurt blog ik hier rustig verder en oefen ik in praten met mezelf, ook een heel nuttige bezigheid, toch volgens Montaigne (met dank aan Bart Moeyaert om me daar in zijn kerstessay in DSL aan te herinneren).

 

Weg met jeugdboeken

In Uncategorized on januari 23, 2016 at 9:53 am

b24203cb2ad384f78ed5146640eb50f7Ik voel me niet thuis in de rol van stormtrooper, maar nu trek ik toch even helm en harnas aan. In twee maanden tijd met zoveel dedain en onwetendheid over jeugdliteratuur horen spreken is erover. Er wordt anders namelijk gewoon helemaal niet over gesproken en dat is veruit te verkiezen, leve de luwte. In De Standaard der Letteren las ik gisteren de recensie van Michael Bellon over Anna, Ammaniti’s nieuwe roman: ‘Waarschijnlijk had Ammaniti erop gerekend dat zijn onverschrokken jonge heldin en haar broertje (…) de lezers zouden inpakken, maar onze koude kleren heeft hun lot niet geraakt. Misschien kan Anna nog dienst doen als jeugdroman. Al tref je tussen de karkassen en de ruïnes ook nergens bespiegelingen aan die een boekbespreking zouden kunnen stofferen.’ Bellon sluit af met de veroordeling van Anna als een ‘failed novel’. Zelfs te slecht om aan onze jongeren te lezen te geven, jongeren die toch alleen maar lezen voor de verplichte boekbesprekingen.

Op de vorige Uitgelezen in de Vooruit sprak auteur Yves Petry over Elena Ferrantes (terecht) bejubelde roman De geniale vriendin. Hij merkte op dat het hier en daar zo flauw neergeschreven was dat het wel jeugdliteratuur leek. Het voorbeeld dat hij aanhaalde was dat een personage iets ‘bromde’ in plaats van het gewoon te zeggen. Niemand op het podium trad hem bij, maar niemand leek ook de vuige vergelijking met jeugdliteratuur gehoord te hebben, misschien omdat ze het onzin vonden maar waarschijnlijk eerder omdat het begrip ‘jeugdliteratuur’ niet geregistreerd wordt als iets om op in te pikken, als iets van belang.

De tijd is rijp om eens goed te brommen.

Jeugdliteratuur begint meer en meer op een oninteressant maar noodzakelijk hulpstuk in de ontwikkeling te lijken. Tenminste, in de perceptie van volwassenen – zeker als ze zelf kinderen hebben. Als je kind nog een baby is, is er de weging en de meting, dat boeit eventjes maar als de curves goed gevolgd worden is er verder niet veel spannends aan. Daarna moet je kind wel ergens school lopen maar vele ouders vinden leerkrachten in feite ook niet echt volwaardige mensen die in het volle leven gestapt zijn. En dan is er als een pil voor de puberteit nog de jeugdliteratuur. Weliswaar niet zo doeltreffend als bijvoorbeeld Clearasil voor de puisten maar leerlingen moeten toch boekbesprekingen maken, dat hebben zij als scholier ook gedaan – zonder internet! – dus het is niet meer dan fair dat hun kinderen die kwelling ook doorstaan. Dat is hoe er over gedacht wordt – áls er al over gedacht wordt.

Er zit te veel ‘jeugd’ in de term jeugdliteratuur. Een boek is literair of het is het niet. Daar heeft die subcategorie jeugd helemaal niets mee te maken. Maar laat ‘de jeugd’ nu net zijn waar graag en gretig over geschreven wordt. Er is dagelijks aandacht in kranten voor hoe slecht jongeren het doen, hoe moe ze zijn door hun overmatig schermgebruik, hoe weinig geëngageerd ze zijn, hoe depressief, hoe kleinburgerlijk… Het lijken wel volwassenen. Tussen al die verloren zielen zitten er natuurlijk nog lezers, ze zijn met niet veel, maar één mens is genoeg, om het met jeugdauteur Els Beerten te zeggen. Die ene mens die je overigens ook tussen de volwassen verloren zielen aantreft, want hoeveel volwassenen lezen romans? En toch krijgt die categorie wel alle aandacht die ze verdient.

Elke jeugdauteur heeft de vraag al gekregen wanneer hij nu eens een ‘echt’ boek schrijft. Velen schrijven uiteindelijk ook wel eens zo’n boek, al is dat vaak geen keuze maar gewoon omdat een thema of personage zich aandient en onmogelijk in een boek voor jongere lezers te verwerken valt. Daarna schrijven ze weer een jeugdboek. Of niet, dat doet er niet toe. Maar het verschil in perceptie van diezelfde woorden (in een andere vorm) van diezelfde auteur is buiten alle proportie. Als het om een boek voor volwassenen gaat, dan wordt er vergaderd over de aanpak om het in de markt te zetten. Voor jeugdliteratuur is geen markt, wij zijn de simpele zielen die toch boeken schrijven zonder dat er vraag naar is, zo lijkt het wel. Maar uitgevers zijn ook niet van gisteren, ze nemen jeugdboeken wel degelijk ernstig, in ‘jeugdliteratuur’ zit namelijk óók het woord ‘literatuur’.

Hoe vreemd, dat het idee dan toch leeft dat jeugdboeken maar het halve werk zijn. En als er geen jeugdboeken meer voorhanden zijn – stel dat alle jeugdschrijvers zich collectief van een klif hebben gestort, dood zijn ze niet want ook dat doen ze maar half maar ze zijn toch te gewond om nog te kunnen schrijven –, dan zijn er altijd nog de mindere boeken van de echte auteurs die we jongeren kunnen toewerpen.

Voor mij hoeft er geen aandacht te zijn voor jeugdliteratuur, maar als het woordje ‘jeugdboek’ dan toch eens ter sprake komt, moet het wel ergens op slaan. Juiste, ernstige, slimme aandacht is welkom, zoals die er is voor literatuur voor volwassen lezers. Die opdeling telkens te moeten duiden in dit stuk alleen al wijst op de totale overbodigheid ervan. Literatuur is literatuur. Moet je op reis om reisliteratuur te kunnen appreciëren? Soms helpt het of verdiept het de leeservaring, maar het uitgangspunt blijft dat de tekst literair is, dat wil zeggen bezield, vanuit een drang geschreven, als woorden die in net díe volgorde op het witte blad moesten terechtkomen, niet dat het zich afspeelt in Wit-Rusland. Voor jeugdliteratuur geldt net hetzelfde, dat het over een vijftienjarig hoofdpersonage gaat is bijzaak, het wordt pas literair als er iets met de taal gedaan wordt om dat personage leven in te blazen. Als alle tussenschotten weggehaald worden blijft er één berg verhalen over, en daar zit – geloof het of niet – ook jeugdliteratuur tussen.

Als het goed is dan schrijven jeugdauteurs niet om zichzelf en de wereld te leren aanvaarden maar om het onbegrijpelijke in woorden te vatten. Dat een lezer – of welaan, wijzelf als auteur – zichzelf en de wereld daar beter van gaat begrijpen, is een prettig neveneffect maar nooit het doel op zich. Als het goed is, dan zijn boeken van jeugdauteurs even afgenaveld als die van alle andere auteurs die ertoe doen. Een recensent schrijft dus beter niet dat een slecht boek eventueel nog als jeugdboek zou kunnen ‘dienst doen’. Een boek hoeft niets te dienen.

Ik lijk nu wel een beetje op de ombudsvrouw van de jeugdliteratuur, wat niet mijn bedoeling is. Maar ik vind ook niet dat jeugdboeken zomaar door iedereen kunnen worden gebruikt om goedkope punten te scoren. Recensenten zijn ook maar mensen en zitten vast in een eeuwige cirkel van boekbesprekingen maken – laat ik ook maar eens goedkoop zijn – misschien vandaar de laatdunkendheid als het over jeugdboeken gaat?

Met auteurs is het nog erger gesteld, zij krijgen levenslang boekbesprekingen over eigen werk te lezen. Dat gehate idee van een boekbespreking ligt hier duidelijk aan de bron, dat herkent iedereen, misschien moeten we daar maar eens komaf mee maken en een vak ‘lezen’ in de plaats stellen, net zoals er wordt geturnd en gesport zonder dat daar door de jongeren over moet worden gereflecteerd. Laat het lezen op zich staan, een uurtje of twee in de week, fictie en non-fictie naar keuze, en er mag zelfs een jeugdboek bij. Wat je overhoudt is dit: de literatuur, die mooie, bijtende, troostende letteren die de dag laten sprankelen voor enkelingen – jong en oud.

Just for one day

In Nominaties en prijzen, Uncategorized on januari 11, 2016 at 2:19 pm

Deze ochtend was David Bowie op Klara te horen, dan weet je dat er iets aan de hand is. En ja, het was meteen het ergste, heel de wereld luistert vandaag naar zijn muziek en denkt: Can you hear me Major Tom, Can you hear me Major Tom? Ik blijf Bowie associëren met de film ‘Christiane F. Wir Kinder vom Bahnhof Zoo’, en dat brengt me bij het enige boek waardoor ik ooit strafstudie kreeg. Ik zat zo geboeid te lezen in het boek op mijn schoot dat ik niet door had dat de leerkracht zedenleer de les al een paar minuten had stilgelegd. Ik las met open mond verder op de gang, op de speelplaats en misschien zelfs op de fiets, tot het uit was en ik terug aan de wereld kon deelnemen. En omdat Bowie oproept om ons Heroes te wanen, al was het maar voor één dag, breng ik vandaag dit heuglijk nieuws over mijn twee laatste jeugdromans:

COVER

‘Ga niet naar Canada en andere misverstanden over de liefde’ krijgt een eervolle vermelding van de Provincie Oost-Vlaanderen (Driejaarlijkse Prijzen voor Letterkunde – Kinder- en Jeugdliteratuur 2015).

 

 

 

 

9789045117812‘Getekend’ is genomineerd voor de Lavki-prijs, de prijs voor het beste jeugdboek dat tussen 2010 en 2015 verscheen.

In ‘Getekend’ worden een paar personages al spijbelend helemaal rustig van Bowie’s ‘The man who sold the world’. Fantastisch nummer, zeker ook in de cover van Nirvana, al blijft Life on Mars mijn favoriete Bowie-meezinger-aller-tijden.

 

 

 

affiche2016

Met de boeken gooien

In Over mijn werk, Uncategorized on november 30, 2015 at 1:15 pm

Een paar weken geleden mocht ik aan Katrien Steyaert van De Standaard der Letteren (30/10/2015) vertellen wie mijn favoriete jeugdboekenheld is. Ik hoefde daar geen seconde over na te denken: Madelief van Guus Kuijer. Ik kreeg de vijf Madeliefboeken van mijn vader, telkens als er een nieuw uit was, lag dat als verrassing op mijn bed. Ik herinner me vooral die keer dat ik stout was geweest en naar mijn kamer vloog, en toen het cadeautje op mijn bed vond. Ondertussen ben ik zelf moeder en stuurt niemand me nog naar mijn kamer, helaas, denk ik bijna, want er liggen stapels leesvoer op mijn nachtkastje en ik zou maar wat graag eens boven móeten blijven.

IMG_20151102_080202 Naar aanleiding van die vraag ben ik meer over Guus Kuijer beginnen lezen, en onder meer in de Volkskrant vond ik een mooi portret van hem (2012, Jan Tromp). Dit is een stukje eruit:
“Zijn verhaal, zijn woede is dat kinderen in een mal worden gedouwd. Ze worden gekolonialiseerd. ‘We zijn ontzettend bang voor de individualiteit van kinderen. Ze moeten passen in het beeld van de ouders. Die willen een duplicaat van wat zij zelf zijn. Dat noemen we volwassen worden.’
Hij heeft het altijd veracht, als maatschappelijke opvatting en als lot dat hemzelf trof. Dit maakt voor hem het verschil: ‘Een kind weet dat het onwetend is, maar wil heel graag weten. Volwassenen weten dingen. Punt uit. Volwassenen zijn mensen die niet meer willen weten. Dat tref je bij kinderen haast nooit aan. En als je het aantreft dan kun je er donder op zeggen dat dat kind heel erg in de problemen zit.'”

Op Literatuurplein vond ik dan weer dit:
‘Ik maak me vagelijk ongerust over dat staren in jezelf, van jezelf ontspannen en leegmaken. Het is toch juist heerlijk om je “vol” te maken, om je in te spannen en als je dan moe bent naar bed te gaan? Hoezo het denken uitschakelen? Je moet de wereld zélf aan de praat krijgen en dat lukt alleen maar door te leren, door te ontdekken. Toen de Spaanse schilder Goya op hoge leeftijd was, tekende hij een oude man en schreef eronder: “Ik leer nog steeds.” Daar spreekt levenslust tot het einde uit.’

En deze bekende uitspraak van hem is altijd handig om achter de hand te hebben: ‘Kinderboeken schrijven is het mooiste wat er is,’ zegt hij, ‘maar ik vind het moeilijk. Omdat ik eigenlijk met pensioen ben, sta ik mezelf toe voor volwassenen te schrijven, want dat is een stuk eenvoudiger.’

Wat een bijzondere man. Hij zegt slimme dingen én hij verliest nooit zijn gevoel voor humor. In Bologna stond ik een paar jaar geleden naast hem op de Nederlandse receptie met hetzelfde drankje in mijn hand, voor een tafel boordevol hapjes. Ik heb hem niet aangesproken, want wat zeg je dan? Lekkere worstenbroodjes? Ik koos gewoon nog een kaassoesje uit en nam me voor dringend nog eens een boek van hem te lezen. Hij heeft er zelfs voor volwassenen.

Schrijfweek in Spanje

In Over mijn werk, Uncategorized on november 24, 2015 at 2:25 pm

DSC00721Ik heb al voor de tweede keer het geluk gehad een week te mogen gaan schrijven onder de Spaanse zon, ergens in september, net als je begint te voelen dat het hier gedaan is met de blote voeten en de lange caravandagen. Alles wat ik dan kan opladen, dient om miezerige novemberdagen als deze door te komen. Er valt niets meer te zien vanuit mijn ronde raampje. De kippen nemen geen stofbad meer, schikken zich niet meer kont aan kont in hun zonnige kuil, ze schuilen alleen nog urenlang in hun scheefgezakte hok, komen enkel buiten als ze mij ritselend horen aankomen, en ik ritsel zo weinig deze dagen. Als de postkaart van Dylan Thomas opkrult is het trouwens officieel te nat en te koud om nog in het ovalen hok op wielen te blijven zitten en verhuis ik naar waar ik nu zit, aan mijn bureau in het huis. Dan denk ik terug aan die warme septemberweek, drie vrouwen op de rand van de afwerking van hun boek… Want ja, zon is veel, maar gezelschap is nog meer. Ik schrijf namelijk niet alléén in Spanje, ik doe dat in het gezelschap van twee collega’s. Onze dagen zien er min of meer hetzelfde uit. Tijdens het ontbijt tellen we onze muggenbeten en beschrijven we hoe de nacht was en wat we met de dag van plan zijn. Schrijven, natuurlijk, maar dat heb je in vele vormen, en voor één keer dat we dat zonder veel woorden kunnen uitleggen aan iemand die het helemaal begrijpt grijpen we onze kans. Daarna brengen we de dag in stilte door. Het vuur zit bij de een al sneller in de vingers dan bij de ander, iemand moet een ritje doen, een ander moet de zee zien, moet onder water zwemmen, de wind ontvluchten, de laptop opladen, iets eten, maar dat zijn allemaal dingen die we alleen doen. Het moet wel een beetje vooruitgaan! Maar dan, tegen een uur of vijf, zes, in het licht van de laatste zon, komen we terug samen en hoeft er niets meer. Ik neem een lukrake dag om te beschrijven hoe wonderlijk zoiets kan zijn. Een verlaten terras, drie gigantische glazen witte wijn op een te kort voetje, een marmeren tafelblad waarop we onze verhitte armen laten rusten. We klinken op de woorden van de dag. En kijk, er is WIFI! Twee van de drie vrouwen beginnen een zoektocht naar een jurk met een soort dennenboomprint, smal in de taille en dan uitwaaierend, een A-lijn, of toch frambozenrood?, die kapmouw!, dat biesje! Jurkjes zijn nooit belangrijker geweest dan na deze vruchtbare dag. De wijn is snel op, we verkassen naar een naburig dorp waar we blij zijn met de maan. We stappen een plaatje binnen, zo lijkt het wel, eenzaam strand, afgezoomd door grijsgroene rotsen, een leeg restaurant met zicht op dit alles, nergens zit je mooier. We worden bediend door een jonge Belg die zich verwend weet, zijn moedertaal, en niet één maar drie moeders plots, beter laat dan nooit, lijkt hij te denken. Na onze maaltijd wordt hij een beetje grimmig, hij lijkt ons al te missen ook al zDSC00666ijn we er nog. Hij probeert het nog te redden door Wannes Van de Velde door de boxen te gooien, maar in de straten verdwalen zal niet lukken want er zijn geen straten in het dorp waar hij strandde, de zee overstemt alles. Wij koesteren de ontmoeting want zijn tristesse maakt ons nog meer moeder dan we al zijn en ook meer schrijver, vooral dat laatste zorgt ervoor dat we giechelend terug naar huis rijden, onze ziel amoureus, het is pikdonker maar er is nog een restje warme lucht om onze blote armen aan te verwarmen. De chauffeur van dienst mikt onze taxi netjes tussen de twee rode auto’s in de straat waar we moeten zijn, we stappen uit en wensen elkaar een goede nacht.  Morgen weer schrijven. Daar denk ik aan terug, nu, met ijskoude vingertoppen tikkend terwijl de regen schuine strepen slaat in het grijs. Ik krijg het er niet instant warm van, nee, maar het scheelt echt niet veel.

Jongens toch!

In Uncategorized on oktober 12, 2015 at 6:55 am

9e6f7039455c6dbadafbe6791c8a02c3Jongens zijn de nieuwe meisjes. Ik weet niet of dat helemaal klopt, maar het is wel de indruk die je krijgt als je de doemberichten in de pers leest. Jongens doen het op alle vlakken slechter dan meisjes. Niet in huis halen, die kerels. Het toeval wil dat ik er drie gebaard heb. We hebben thuis ondertussen twee pubers en één jongetje van negen. Na de geboorte van de derde kregen we een combinatie van medeleven en onbegrip over ons heen, genre ‘hoe heb je dat nu zo slecht kunnen aanpakken?’ Jongens zijn druk, lastig en lawaaierig, werd ons gezegd, zeker als ze per drie verpakt zitten. Na veertien jaar jongenservaring weet ik het wel: jongens zíjn druk, lastig en lawaaierig. Maar bij ons hebben ze het enorme voordeel dat ze nooit vergeleken worden met hun ‘flinke, ijverige, rustige’ zus. We kunnen hooguit een broer als vergelijkingspunt gebruiken, het is een eerlijke strijd. Dat is wel anders in een klas, natuurlijk, waar de jongens donkere wolken zijn in het licht van rijen vol rustige, naarstige meisjes.
Buiten, jij!
Onze middelste zoon is de drukste van de drie, hij kan als een jong hondje opspringen om toch maar graag gezien te worden. Als dat graag zien niet lukt, wil hij gewoon gezien worden. Als hij voor een heel lesuur buiten vliegt omdat hij een flauw grapje maakte, is hij verbijsterd: hij ziet zoiets niet aankomen. Van op de gang staan leerde hij één ding: hoe het voelt om vernederd te worden door iemand met meer macht dan hij. Dat is natuurlijk ook een les, maar die verwacht ik niet van het onderwijs van tegenwoordig.
Tijdens lezingen sta ik ook geregeld voor groepen kinderen. Ik merk dat er altijd wel grapjassen tussen zitten, die druk doen als ze de zaal binnenkomen, en dat zijn vaak jongens. Maar zelfs het ergste schorriemorrie valt stil en luistert geboeid als je ze niet kleineert of negeert, maar met humor en positieve aandacht benadert. Als je ze hoort en ziet, en juist niet buiten de groep zet. Negeren kan nooit de bedoeling zijn. Het is misschien een begrijpelijke reflex, ‘als we doen alsof ze er niet zijn, vallen die druktemakers vanzelf stil’, denken sommige leerkrachten. Terwijl diezelfde volwassene op de achterste poten gaat staan als hij ergens niet gehoord wordt of het gevoel krijgt niet mee te tellen, dat is een gezonde reflex.
Boertig versus subtiel
In een klas speelt dan nog eens de machtsverhouding mee. Je hebt als scholier iets te verdienen van je leerkracht. Maar hoe kun je iets leren van iemand voor wie je lucht bent? Een klas is een complex sociaal gegeven. Je hebt één volwassene die iets doceert voor pakweg vijfentwintig jongeren die per definitie niet bezig zijn met studeren. Jongeren willen cool zijn en bij elkaar zijn en grapjes maken en flirten, geef ze eens ongelijk. De meisjes doen dat op hun manier, de jongens op een totaal andere manier, maar ze zijn allebei met hetzelfde bezig. Maar omdat de meisjes er door hun lichtjaren sociale voorsprong beter in slagen om hun pubergrillen te combineren met een les aardrijkskunde, delven de jongens het onderspit. Jongens doen alles voor een boertig grapje en denken niet aan de gevolgen. Lastiger in een grote klas, kan ik me indenken, maar in de meeste gevallen ook onschuldig.
Als je het positief bekijkt, kun je die bokkensprongen impulsiviteit noemen, openheid, durf, focus op één ding tegelijk, gebrek aan berekening. Maar dat soort termen wordt pas gebruikt als die jongens mannen zijn geworden en bijvoorbeeld een succesvol internetbedrijf uit de grond stampten. Dan mag het. In het middelbaar onderwijs moeten ze hun aard verloochenen. Een onderzoekster van de VUB toonde aan dat jongens op school tot drie keer meer negatieve feedback krijgen dan meisjes. Leerkrachten zijn natuurlijk ook maar mensen en ik snap dat te veel jongensgewemel de stoppen kan doen doorslaan. Energiek wordt al snel enerverend in een klaslokaal, voeg daar een scheut meisjes in de groei aan toe en je hebt een verraderlijke cocktail.
De gedroomde leerkracht
Toch zijn er leerkrachten die erin slagen om dat zootje ongeregeld iets bij te brengen. Toevallig ken ik er twee heel goed. Het zijn oude studievrienden, ze werden allebei leerkracht Engels en Nederlands in hun oude school, een beetje zonder daar echt voor te kiezen, zoals het bij velen gaat. In al die jaren dat ze hun beroep uitoefenen, hoorde ik hen niet één keer smalend doen over hun leerlingen, niet over de jongens, niet over de meisjes. Ze vinden andere dingen lastig: de collega’s, soms, de ouders, de administratieve rompslomp. Maar hun publiek, daar vechten ze voor, en ik overdrijf niet. Ze praten met veel waardering over hun leerlingen, want zij zijn het die hun job boeiend maken en houden, jaar na jaar.
Mij leek hun parcours eerst zowat de grootste horror die ik over me af kon roepen, terug naar vroeger, in de schoenen van wie vooraan stond. Ondertussen denk ik: wat een geluk dat precies zíj voor al die jongeren hebben gestaan. Ze vinden jongens soms druk, zoals ze vaststellen dat een egel stekels heeft of een vogel vleugels: ze rekenen die jongens daar niet op af. Nochtans zijn het geen supermensen, ze zijn eerder timide, lopen niet al te hoog op met hun eigen kennis, stellen zichzelf in vraag. Hun geheim? Ze waren niet liever onderzoeksjournalist/bedrijfsleider/striptekenaar/sterrenchef geworden. Ze doen hun job graag, puur en simpel. Je kunt maar hopen dat je kind in die lange schoolcarrière af en toe bij zo iemand terechtkomt, of het nu jongens of meisjes zijn.
Lekker vechten
En in tussentijd kun je alleen maar de nodige aandacht geven aan je eigen kinderen, dat heb je gelukkig zelf in de hand. We hebben allemaal op school gezeten en weten hoe het voelt om gekleineerd te worden. Thuis is de plek om bij te tanken en je wonden te likken, ingebeelde en andere. Als ouder hoef je niet veel te doen: er zijn is genoeg. En als je zonen hebt helpt het als je er af en toe eentje vloert, letterlijk dan. Puberzonen laten zich niet meer zo vlot knuffelen of troosten, maar hun hunkering naar fysiek contact blijft groter dan naar een goed gesprek. ‘Vechten?’ zeg ik soms als ik voel dat er hen iets dwarszit. De lach die ik dan krijg, komt van diep, van net zo diep als ik was geraakt na een serieuze babbel. Want ja, het leven is absurd, en pubers zijn dat net te weten gekomen: geef ze eens ongelijk als ze steigeren, de meisjes op hun sociaal aanvaarde manier, de jongens met de borst vooruit.
Jongens zijn meer dan die onstuimige buitenkant, een beetje zoals bier ook meer is dan wat schuimt en borrelt bij het uitschenken. Mannen weten misschien waarom, maar jongens nog niet: zij hebben sturing en liefde nodig, thuis én in het onderwijs. Zie hen, hoor hen en, als het echt niet anders kan, vloer hen. Maar laat hen niet vallen.

Verschenen in De Standaard, 10 oktober 2015