boeken voor kleine en grote kinderen

Back to Bournemouth (3)

In Over mijn werk on december 8, 2016 at 9:20 am

Ik heb de nacht in halve coma doorgebracht en ontwaak als herboren: wie ben ik, waar ben ik, en vooral: wat is dit voor verdacht proper bed? Dan weet ik het weer, ik logeer in het Royal Bath Hotel and Spa, dat laatste woord betekent dat er naar hartenlust kan worden gebadderd, gebubbeld en gezweet. Ik ga voor een full English breakfast dus wil eerst een half uur zwemmen. Honger is de beste saus, zeker als er warme bonen op het menu staan. Het zwembad is niervormig wat het baantjes trekken een beetje sullig maakt, maar het is ook leeg, of toch quasi, en dat is een grote meevaller. Hoe leger, hoe liever, is mijn motto als het over zwembaden gaat. Ik geniet van de stilte van het water, de lucht achter de wazige verandaruiten is van een bemoedigend soort blauw en ook in de sauna lig ik alleen.
flat1000x1000075f-u1

Back to Bournemouth (2)

In Over mijn werk on december 5, 2016 at 11:34 am

Ik zit liever op een overzetboot dan in een tunnel onder het kanaal, maar omdat mijn tijd beperkt was koos ik toch voor de Chunnel. In alle vroegte vertrok ik richting Calais, vroeger een stad als alle andere maar sinds een paar jaar oord van collectieve schaamte. Ontbering, kou, gezinnen in mensonterende leefomstandigheden op een boogscheut van waar wij wonen… Dat roept verontwaardiging op, maar die is relatief want ik rij niet naar Calais om er mensen te gaan helpen, ik rij erlangs, om aan mijn eigen project te werken. Ik weet nochtans dat een boek van mij nooit de impact zal hebben van wat een leerkracht of verpleger ter plaatse doet, maar ik hoop toch iets teweeg te brengen. Zoals auteur Randall Casaer het in alle eenvoud verwoordde tijdens de premièrevoorstelling van Schrijven in de Lage Landen in het NTG: ‘ik wil dat mensen vriendelijk zijn voor mijn personages, ze met mildheid bekijken’ (hij zei dat wel veel mooier dan ik dat kan). Die personages zijn wij zelf, natuurlijk, en als auteurs en kunstenaars een schaalvergroting van die mildheid bereiken, wordt de wereld een betere plaats. Het is nog geen Kerst en ik dien jullie al een shot vrede in de harten toe, een tentenkamp in onze achtertuin moet íets teweegbrengen. Gelukkig kan ik er ook niet te lang op los prediken want ook al heb ik overwogen om een van mijn personages in het kamp van Calais te laten werken, toch heeft dat idee het niet gehaald.
In de Chunnel haal ik herinneringen op aan de enige andere keer dat ik me die kanaalgang in liet praten door een vriendin met wie ik een paar dagen Brits ging. Halverwege de rit hoorde ik water klotsen. Dat moest inbeelding zijn, toch? Niets van. Er was ook een goudvis mee. In een emmer. Deze logica moest het allemaal verklaren: het was de klasvis en hij werd al maanden verwaarloosd door de leerlingen, dus had de vriendin/leerkracht hem ontvreemd uit zijn bokaal. Verder dan dat ging haar pedagogisch plan niet, hij klotste gewoon mee het kanaal onder, recht het land van melk en honing binnen. We lieten hem met emmer en al achter aan een kerkje in Rye, maar dat is weer een ander verhaal.
Ik zit dus zoveel jaar later in die Chunnel een eind weg te mijmeren – wat hou ik van mijn vrienden, ze zijn nog gekker dan ik – als de boordcomputer van de auto plots paniekerig begint te doen. Rode lampjes en nerveuze bliepjes, het is niet hoe ik mijn dag graag zie beginnen, maar aangezien ik alleen ben, moet ik het oplossen. Je wilt niet al stilvallen nog voor je bent vertrokken. Ondanks de massa’s bordjes die mij ten strengste verbieden om de motor te starten voor het signaal gegeven wordt, doe ik precies dát: ik start de motor. Ik breng het laatste kwartier met klamme handen op het stuur door. De batterij laadt op en als de auto’s als pissebedden vanonder een bloempot uit het Chunnelgat tevoorschijn schieten, ben ook ik daarbij, bijna euforisch om het simpele feit dat ik rijd. Links rijd, moet dat zelfs zijn, maar dat is plots een detail geworden.
Ik overweeg om in Rye te stoppen voor een koffie maar je weet nooit dat er ondertussen een vreemde vissenplaag is opgedoken dus ik rij door naar Battle, een dorpje waar in 1066 de Battle of Hastings plaatsvond maar waar het nu – 950 jaar na het bloedvergieten – gezelligheid troef is. Ik ga koffie drinken in Jempson’s en bestel een scone met clotted cream om de geslaagde heroplading van mijn platte batterij te vieren. Het is er een gezellig binnen- en buitengeloop, verdacht veel locals op Crocs, ideaal om in de sfeer te komen.
Aan het tafeltje naast me zitten drie vaste klanten, ze wuiven enthousiast naar alle bekenden die voorbijlopen en becommentariëren daarna uitgebreid in wat voor stadium van ziekte of algemene uitzichtloosheid hun vrienden buiten zich bevinden. De man van het gezelschap lijkt wel de uitgemergelde broer van David Bowie met een raar, plukkerig soort snorretje op zijn bovenlip dat trilt als hij praat, maar hij zwijgt vooral. Zijn vriendin lijkt dan weer op Angelica Huston in The Dead, wat ze ook zegt, het klinkt mysterieus en melancholisch, in haar gloed wil je zitten, aan lagerwal of niet. Een fascinerend drietal is het, en hun lap-‘t-aan-m’n-laarshouding is inspirerend, ze hangen een soort landerigheid aan die je bij pubers verwacht, terwijl een van hen cool met haar elleboog op haar looprek leunt, ik zeg maar. Een vertrekkende klant schuift me de Daily Mirror toe en ik begin te lezen: over Phil Collins die voor de derde keer hertrouwt met de vrouw aan wie hij 25 miljoen betaalde na de tweede scheiding – die Phil toch -, over het jongste killer couple ooit in Groot-Brittannië  (14 jaar zijn ze, het meisje van de twee verklaarde: ‘I felt like murdering for quite a while’) en over Tonisha, een lagereschoolkind met overgewicht dat met een clownsmasker naar school was gegaan en nu was geschorst omdat ze andere kinderen blijvende nachtmerries had bezorgd. Er was veel verontrustends over het kanaal, maar dat van Phil bleef het langst hangen, en niet alleen door zijn bodemloze liefde. Het artikel had een lang vervlogen herinnering opgerakeld: ik zag Phil Collins op mijn achttiende in Bournemouth, we gingen naar de film en daar stond hij plots, het is de enige beroemdheid die ik ooit van zo dichtbij zag. Ik wist nog niet of het een goed teken was dat ik me dit herinnerde, maar ik greep het toch aan om me te onttrekken aan de verlopen Happy Days-sfeer. Ik reed de parking af – links! – en was klaar voor het eind naar Bournemouth, voortgestuwd door het ongecompliceerde melodietje van eels’ Hey man (now you’re really living) en – toegegeven – door de herwonnen levenslust van mijn autobatterij.
15310733_10210148287158958_572818915_n15319415_10210148235517667_661526848_nIn Bournemouth had ik twee nachten geboekt in het Royal Bath Hotel, dat zijn deuren al opende 15319598_10210148248517992_438866283_nin 1838. Als je je ogen tot spleetjes kneep waande je je nog altijd in dat Victoriaanse tijdperk, het gebouw ademt grandeur, de overwegend bejaarde gasten ademen dan weer iets anders. Mijn kamer heeft geen zicht op zee maar ik klaag niet, ik kan er voor een prijsje verblijven dankzij een website die hotelkamers versjachert en de hotelbusiness verziekt, maar hé, ik ga vriendelijk zijn tegen het personeel en het is ook goed voor de hotelstatistieken dat er nog eens een piepjonge gast tussen hun pilaren laveert. Ik blijf niet in mijn kamer maar ga meteen naar het strand, de zon gaat onder en maakt van de pier een plaatje uit een retroreisfolder, ik vind een kei die ‘De schreeuw’ van Munch imiteert en bedenk hoe eng het zou zijn als plots alle keien er zo uitzagen.
Als ik zulke dingen begin te denken moet ik iets eten: off to the pub dan maar. Ik bestel een klein, vettig gerechtje om met een kleine Guinness weg te spoelen en zit naast drie Amerikanen die een hamburger eten. Na afloop legt de oude man van het gezelschap vaderlijk uit aan de dienster wat hem allemaal niet aanstond: de tomaat was niet geschild, de burger was te hard gebakken, uitjes hier en sla daar en saus ginder, ya know? Het meisje blijft beleefd: ‘I’ll tell chef’ zegt ze met zo’n sérieux dat je even meegaat in de illusie dat er echt een chef in de keuken staat. Als ik twee tequila-drinkende meisjes met lange blonde haren in het West-Vlaams hun selfies van de dag hoor overlopen en dan plots besef dat ze Russisch zijn, besluit ik dat het tijd is om te gaan slapen. De lounge van het Royal Bath Hotel zit nog goed vol en de warme gloed van de lampenkapjes doet me even twijfelen om de dag daar af te sluiten, maar de gesteven lakens op mijn bed winnen het van de glanzende chesterfields. Ik kaart nog wat na met mezelf, was het geen mooie, wonderlijke dag, vraag ik me af, en voor ik kan antwoorden slaap ik al.

Back to Bournemouth (1)

In Over mijn werk on december 1, 2016 at 2:11 pm

Bournemouth is een stad in Zuid-Engeland die niemand veel zegt, maar dat zal binnenkort veranderen aangezien mijn volgende boek zich daar afspeelt. Ondertussen zit ik al ongeveer 150 bladzijden ver, het was tijd om de beelden uit mijn geheugen eens tegen de werkelijkheid te houden: ik reisde er eind oktober naartoe voor een schrijfweek. Ik gooide de auto vol boeken en cd’s alsof ik voor wéken wegging, en twee schriftjes – één bijna volgeschreven en één nieuw en leeg behalve de lijntjes die me naar het einde van mijn boek moesten brengen.
694d295ed865ba7a97d47f3de9c29494Was het absoluut nodig dat ik ging? In feite niet, ik situeerde mijn verhaal over een meisje dat als au-pair gaat werken in Bournemouth omdat ik daar op mijn achttiende zelf vijf weken verbleef. Ik was er toen niet zomaar voor de pret of voor de taal naartoe gereisd, ik was gestopt met mijn studie geneeskunde omdat ik daar niet de maag (en nog een paar andere lichaamsdelen) voor bleek te hebben, de deur van mijn kamer ging op slot en ik zat plots op de trein naar Engeland, samen met nog een paar drop-outs die hun junimaand ver van hun eigen wereld gingen doorbrengen, als waren we verbannen. Ik had er tot dan toe een feilloos parcours van slagen met glans op zitten en was doodongelukkig, maar nu had ik eindelijk eens gefaald, het was niet anders. Ik voelde me helemaal thuis tussen de losers die bovendien allemaal Frans bleken te spreken dus zou alvast toch één taal onder de knie krijgen.
Het oude dametje bij wie ik logeerde was een zuur kreng maar ze maakte eten voor mij en nog een handvol andere studenten en het recept van haar lemon pie heb ik nog altijd. Ik had een kamer op de bovenste verdieping, keek uit over een immens kerkhof en daarnaast ook over de tuin van de buren waar een atletisch gebouwde jongen elke avond voetbalde met zijn broertje, iets waar mijn anatomische interesse even van heropleefde.
d55f1fbbe0eccd0cc1a6108529f413429d298e44640153af7a2fa59d057fe7f1Ik maakte lange wandelingen door de groene wijken, kwam langs winkelblokken die zo uit My Beautiful Laundrette leken geplukt, luisterde op mijn walkman naar cassettes van The Smiths en Lloyd Cole and the Commotions en ervoer voor het eerst hoe volkomen tevreden ik kon zijn in mijn eentje, doelloos ronddwalen en niemand die iets van me verwachtte, of zelfs maar op me wachtte: ik was at peace.
De lessen bleken een makkie – tegenover het Engels van de Franssprekenden klonk het mijne heel wat Engelser. Onze leerkracht Roger gaf geen les maar verleidde ons met droge humor en een onweerstaanbaar moaning and groaning over van alles en nog wat – ook the simple present en the perfect continuous. We maakten een uitstap met de school naar de paardenraces in Ascot, een evenement waarvoor we ons moesten opdoffen. Ik had één zwarte jurk met witte stippen ingepakt die nog van mijn moeder was geweest, ik trok hem aan en voelde me verkleed maar niemand kende me daar, wat maakte het uit, zelfs de rieten hoed wilde ik opzetten. Het klikte heel erg met Roger maar omdat ik hem een oude man vond en zo naïef als een donskuiken was, had ik niet door dat zijn interesse in mij misschien ook wel anatomisch geïnspireerd was. Toen dat achteraf bleek uit een brief van hem, lag ik bijna van mijn stoel van verbazing, en ook van het feit dat die heel erg volwassen man met net dezelfde dingen bezig was als ik. Het zou toch geen waar zijn dat die puberellende een leven lang zou gaan duren? Nee, dat dacht ik toen niet, ik dacht niet na over later. Ik ben hem altijd dankbaar geweest voor zijn galante terughoudendheid, hij was a true gentleman, al wilde hij vast ook zijn job niet op het spel zetten.
Ik verhuisde nog van gezin toen ik een week langer bleef dan gepland, kwam terecht in het huis van een gelovig gezin waar een slim jongetje van zeven me probeerde te bekeren tot het Christendom. Voor het zondagse maal van lamsvlees met muntsaus werd er gebeden aan tafel, ik zat er houterig bij, de handen in de schoot en een nepgeprevel op de lippen, het jongetje keek me berispend aan, hij zou zijn handen vol hebben aan mij, zag ik hem denken. Het was hem vast nog gelukt ook als ik er langer was gebleven, maar na vijf weken wachtte de wereld thuis me op, iedereen was klaar met studeren, mijn ballingschap was voorbij, ik kon mijn vrienden terug gaan storen en aan mijn eigen leven beginnen.
27e9bd9342004f5910eff78189171ca7Het waren vijf weken waarin ik de stad totaal niet leerde kennen, waarin ik geen enkel museum bezocht, de buurjongen niet aansprak, maar één keer naar het strand ging (het was bewolkt), nooit de pier op liep, meer Frans dan Engels sprak, maar toch bloeide ik er open, hoe kortstondig ook. Als dat geen geschikte locatie is voor mijn personages, weet ik het ook niet meer. Ga dus niet naar Canada, ga naar Bournemouth: een advies waarover meer in een volgende aflevering. Over pech in de Chunnel, een lang vergeten live-ervaring met Phil Collins in Battle, een Bulgaarse hotelbediende met ambitie in The Royal Bath Hotel en de betoverende pier van Bournemouth.

Bewaren