boeken voor kleine en grote kinderen

Posts Tagged ‘Schrijven’

Een mooie dag om te oefenen

In Over mijn werk on oktober 17, 2014 at 7:28 am

imagesHet schemert nog niet, de zon komt nog maar op. Maar ik denk al aan de schemering van straks. Aan de woorden die dan op papier zullen staan – of niet. ‘Ik heb toch maar weer een dag geoefend,’ zal ik zeggen. En daarmee zal ik Bernard Dewulf, die deze wijze woorden opschreef, eren. Laat ik hem maar aan het woord, voor ik begin aan mijn eigen herschrijving van de dag:

‘… de jaren zelf bedaren de dromen. De dagen zelf brengen de voeten op de grond. De schrijvende uren zelf hebben nederig gemaakt. En intussen tikken de middaguren. Vroeger draaide men een blad in de typemachine. Bij elke verkeerde zin draaide men het er weer uit. En ’s avonds was de papiermand vol. Toen kieperde men zijn onzinnen bij de rest van het huishoudafval. En men wist weer waar men stond.
Nu nadert de avond en is al het vorige hier zeker tien keer herschreven en gedeletet. In het niets. Van het scherm. Ergens daarachter verbroederen voortdurend afgedankte zinnen.
Enkelen onder ons schitteren, de meesten schutteren.
Zo is het.
Nooit zal ik flonkeren, ook al oefen ik tot in de hemel. Mijn zinnen zullen nooit de voetjes van Messi hebben. Of de melodie van Mozart. Laat staan de gratie van Grace Kelly.
Vind ik dat erg?
Het is geen leven.
Maar nu het stilaan schemert, nu ik dus nooit zal klinken als Messi en dribbelen als Mozart, zelfs geen koolmees zal vereeuwigen en mag oefenen tot in de eeuwigheid op een houterige tango, nu ik dat allemaal la lang weet, nu kan ik deze zin rustig, in een zekere vrede, laten vallen.
Ik heb toch maar weer een dag geoefend.’

Uit: ‘Oefening’, Bernard Dewulf, De Standaard Weekblad, 12 juli 2014

Advertenties

Gelukkig ben ik Astrid Lindgren niet

In Nieuw werk, Uncategorized on februari 27, 2014 at 10:36 am

135Daar zijn vele redenen voor. Ik zou al dood zijn, om te beginnen. Maar er is meer. Ik leg het even uit.
Als een boek af is, in de boekhandel ligt, gebeurt er iets vreemds. Mijn personages die tot voor kort nog leefden – hoe grillig of onuitstaanbaar ze soms ook waren, mij midden in de nacht wakker schuddend om te laten zien waar ze heen wilden – die ettertjes zijn onherroepelijk dood nu. Ik verkeer liever in de fase waarin ze nog leefden en van zich lieten horen, en ik ben heel goed in het mezelf wijsmaken dat ze er nog zijn. Maar als de letters tussen de kaft liggen te wachten op lezers, hou ook ik het niet vol. Andere auteurs worden wel eens lyrisch bij het vooruitzicht hun boek te kunnen vastpakken, betasten, doorbladeren; ik deel die snuffeldrang niet. Toch niet net na het verschijnen.
Ach ja, misschien is het ook gewoon ordinaire schrik. Na al die maanden pure arbeid, na de heldere Canadese berglucht die ik ook nog inademde als ik allang terug thuis was, na de intimiteit tussen mij en mijn woorden, wordt het resultaat nu te grabbel gegooid. Dit was wel het boek dat ik wilde schrijven, zeg ik tegen mezelf. Alles wat daarna komt is van minder belang, voeg ik eraan toe, en ik geloof het graag.
Gelukkig kan ik terecht bij mijn kinderen voor een gezonde portie relativeringszin. Zoals mijn zevenjarige zoon onlangs tijdens het voorlezen opmerkte: ‘Wie heeft dát prutsverhaal geschreven? As-trid Lind-gren? Pff, die kan er ook niet veel van.’ ‘Het is nochtans een van de grootste schrijfsters,’ zeg ik, en hij kijkt me aan van ‘ja, het zal wel.’
Maar kijk, er komt een eerste recensie, van Jürgen Peeters op Vertel Eens, en behalve slappe benen levert het ook deze mooie conclusie op: ‘Klaar is één van die figuren uit de jeugdliteratuur met een geheel eigen stem, iemand waar je maar moeilijk vat op krijgt. De subtiele humoristische intermezzo’s en gevatte opmerkingen dragen onmiskenbaar tot de geslaagde karakterisering bij: “‘Het is altijd wel iets met jou’, zegt mijn vader. Ik zeg: het is veel te weinig met mij.” Klaar doet wat denken aan Heide uit ‘Brei met mij’, maar Klaars coming-of-age wordt veel sterker verbeeld; de verrassend volwassen benadering van de verhaalstof en thematiek zal ongetwijfeld adolescenten en jong(volwassenen) aanspreken, en dat is een duidelijk bewijs van haar vakmanschap als auteur. (…) zoveel mag ondertussen wel duidelijk zijn, met ‘Ga niet naar Canada’ heeft De Vlieger haar (literaire) horizonten met verve verkend én verruimd.’
De zegen van mijn eigen kritische kroost heb ik nog lang niet, maar ik heb wel dit al. Mijn personages zijn dood, ja, maar ze liggen niet ergens te rotten, ze krijgen een grafsteen, en er staan al een paar mooie woorden op.

Je schrijft

In Over mijn werk on februari 6, 2014 at 2:04 pm

Schrijven is een vreemd beroep. Laat mij even uitleggen hoe dat komt.
Je opent je document, leest wat je gisteren schreef. Je denkt na hoe het verder moet. Je probeert een paar zinnen. Je schrapt ze weer. Je stopt een houtblok in de kachel, gisteren gekliefd. Je kijkt of er nieuwe mails zijn. Er zijn er, maar geen een weet je aandacht vast te houden. Je verlangt naar afleiding, je opent Facebook. Je leest de eerste drie berichten en klikt het klein. De nieuwe kat die zelfs nog geen naam heeft, komt een kopje geven. Je bent haar daar dankbaar voor. Je wilt een naam voor haar, nu meteen. Je kijkt nog maar een keer op http://www.kattennamen.be. Je klikt op geen enkele letter van het alfabet, weet al dat de naam er niet tussen staat. Je loopt voorbij de boekenrijen en stopt. Je las een interview met Wim Kayser in De Standaard Weekblad vorig weekend, weet dat ‘Van de schoonheid en de troost’ hier ergens tussen staat. Je vindt mooie titels, maar niet ‘Van de schoonheid en de troost’. Je wilt plots de troost zelf, niet meer dat boek. Je troost jezelf met je eigen doden. Je denkt aan Sophie, die elf jaar geleden stierf. Je denkt aan de vorige kat, die overhoop werd gereden. Je denkt aan A.L. Snijders, die niet dood is, maar van wie je het werk leerde kennen op de avond dat de kat stierf. Je ziet ‘Waar was je nou’ staan, van K. Schippers. Je neemt het boek uit het rek, je houdt van de titel, je begint te lezen. In de eerste alinea denk je al een fout te lezen. Het leidt af, je stopt met lezen. Je herleest je eigen laatste zinnen. Het personage over wie je schrijft verwondt zichzelf regelmatig. Het gaat je verstand en je verbeelding te boven. Je opent http://www.zelfbeschadiging.info. Je wilt meer te weten komen over endogene opiaten, natuurlijke pijnstillers die vrijkomen als meisjes zich snijden. Je leest een paar zinnen op de site, schrijft er dan zelf een paar. Naar fouten kijk je niet, dat is voor later. Je kijkt of het vuuDSC_0184r nog goed brandt, dat doet het. Je komt op dreef, de kat slaapt. De bel gaat. De postbode heeft een aangetekende brief van de VDAB voor je. Er staat dreigende taal in, je krijgt drie dagen de tijd om te reageren. Drie dagen staat in vetjes. Je schrijft een e-mail naar de afzender van de brief, een jong meisje met een exotische naam, misschien gebruik je hem ooit. Je krijgt meteen antwoord dat het op een vergissing berust en dat ze je dossier in orde maakt. Je probeert haar naam uit op de kat. Je maakt koffie, giet een kommetje kleurrijke m&m’s uit voor erbij. Troostrijker dan dat wordt het niet, vandaag, denk je. En dan, plots, gebeurt het. Je schrijft. Het kondigt zich niet aan, het is er plots. De schrijver is degene die klaar zit. En ik zat klaar: wat een geluk.
(Suggesties voor poezennamen zijn overigens welkom.)

Gelukwensen

In Over mijn werk on februari 6, 2012 at 8:51 pm

 

Nu zijn er al maar elf maanden van het jaar 2012 meer over, en ik heb hier nog niet eens mijn nieuwjaarswensen geuit. Dat komt omdat ik me nooit voor de volle honderd procent bewustgeworden ben van het jaar 2011. Ik heb elke keer als ik dat getal moest schrijven getwijfeld: 2011? Het zei me niets. En met 2012 zal het niet anders zijn, dat is nu al duidelijk. Het leven gaat sneller als je ouder wordt: ik begin te begrijpen wat daarmee bedoeld wordt, ik kan zelfs de jaartallen niet bijhouden, laat staan de maanden, of de dagen. Eén voordeel heeft dat wel voor later: het vooruitzicht op één lange dag, in een willekeurig jaar. Een dag waarop ik zal schrijven voor een kind van acht of een van achtentachtig, voor mezelf vooral, een zondagskind op jaren. Tijdens die eindeloze dag zal ik kijken met mijn handen, of horen met mijn ogen; als ik maar mag blijven proeven met mijn tong. Ik zal mijn ene gebreide sok als een oude vrouw tot halverwege de kuit optrekken, en de andere koket oprollen als een meisje. Zo’n dag wordt het, later, een dag waarin veel kan: niet op maar naast de bank in het park gaan zitten bijvoorbeeld, zoals ik vandaag een oude man zag doen, los in de sneeuw, met de hond aan zijn voeten. Maar zover is het nog niet, eerst moet ik nog verder het geluk opstapelen, in maanden, in jaren, in tijdperken van mijn bestaan. En zolang ik dat geluk krijg en niet plots door het ijs zak of door de dampkap word opgezogen, moet ik het ook delen. Vandaar, dan toch nog: een heel gelukkig nieuwjaar! 2012, ja.

Genade!

In Over mijn werk on mei 9, 2011 at 12:54 pm

Mensen maken wel eens de opmerking dat het leuk moet zijn voor kinderen om een kinderboekenschrijfster als moeder te hebben. Mijn kinderen blijven er in elk geval erg rustig onder. De jongste van vier bijvoorbeeld, in een ‘interview over je mama’ (moederdagcadeautje): ‘mijn mama schrijft boeken voor andere kinderen’. Niet voor hem dus: hij kon er dan ook geen een opsommen. Of de twee oudsten, toen ik hen vorige week vertelde over mijn geworstel aan mijn nieuwe boek, en vroeg of ik het begin eens mocht voorlezen: ‘nee, mama, niet voorlezen, genade!’ Zij waren misschien beter af geweest met een moeder die gestaag in de karnemelkpap roert, met maar één wens: die tot de gewenste dikte te brengen. Ze vragen het zich niet af, simpelweg omdat ze niets anders kennen dan een moederhoofd dat soms mijlenver weg zit. En die karnemelkpap dan? Bah, zo lekker is die nu ook weer niet…

Bladerdrang

In Over mijn werk on mei 2, 2011 at 1:12 pm

Vanochtend speelde zich een vreemd schaduwspel af op de kast van de slaapkamer. Magnus van vier lag er angstig maar gefascineerd naar te kijken. ‘Het is niets’, zei ik, ‘het is de schaduw maar van de bladeren van de boom.’ Voor hem was het veel meer dan dat. ‘De blaadjes vechten,’ zei hij na een tijd, en toen ik het door zijn ogen bekeek, klopte het hele plaatje. Er was een gevecht aan de gang, en dat gevecht was belangrijker dan alle andere dingen die vandaag voor onze ogen zouden voorbijschuiven. Ik heb de afgelopen weken heel vaak op de vraag ‘Waarom schrijf jij?’ moeten antwoorden tijdens lezingen, en vanochtend was het plots weer duidelijk: om het gevecht van die bladeren te benaderen, zo goed en zo kwaad als het gaat. Zien wat er is en bol staat van spanning, zelfs op een verloren hoekje van een kastdeur, en dat dan vangen. Magnus gooide zich uiteindelijk in het gevecht door zelf te blazen als de wind, om te zien wat dat met de schaduwen deed, met de argeloosheid van iemand die vandaag nog wel twintig keer omvergeblazen wordt. Maar ik heb slechts die ene keer vandaag en hou mijn vangnet klaar.

Vandaag is het nu

In Over mijn werk on januari 14, 2011 at 11:08 am

Af en toe wordt me de vraag gesteld waarom ik eigenlijk voor kinderen schrijf. Daaronder hoor je altijd die andere vraag: waarom ga je niet voor het echte werk? Ik heb geen antwoord op die vraag, en ik zoek daar ook niet naar. Maar kinderen formuleren zonder het te weten vaak zelf een antwoord. Mijn jongste van vier is vandaag op sportdag in Eeklo. Vanochtend wilde hij niet weten welke dag het was: ‘vandaag is het nu,’ zei hij. Omdat hij ‘Eeklo’ verwart met ‘Iglo’, denkt hij al een week dat hij naar de eskimo’s gaat. Hij wilde snel zijn ‘lunchpak’ aan, zodat hij ook snel in dat nu zou zitten. Was zijn lunchpak wel warm genoeg, want het zou daar toch koud zijn? En was het ver rijden met de bus naar Iglo? wilde hij nog weten. Maar verder leefde hij helemaal in het moment. Ik heb die staat van permanente vervoering en verwondering over alles helaas al achter me. Maar ik hou ervan me opnieuw te verliezen, af en toe. In iets wat ik lees, zeer graag, en nóg liever in iets wat ik zelf bedenk. Schrijven heeft niets met een doelgroep te maken. Boeken, die wel, maar het schrijven zelf? Dat is het betere vluchtwerk, naar een zelfverzonnen Eeklo.

Als alles op zijn kop staat

In Nieuw werk on december 8, 2010 at 9:20 am

Alweer een nieuw boek van mij! En van de Nederlandse illustratrice Jene Bons, die er geweldige personages van vlees en bloed voor getekend heeft.

‘Als alles op zijn kop staat’ is een prentenboek voor kinderen van ouders die aan drugs verslaafd zijn. Of voor kinderen van wie de ouders niet (altijd) beschikbaar zijn, bijvoorbeeld omdat ze depressief zijn of te veel drinken of wat dan ook. Het boek ligt dus ook in de boekhandel, want er zijn veel ouders die zich zullen herkennen in het koppel, veel meer dan alleen drugsverslaafden. Zelfs ik herken mezelf soms, als ik met mijn hoofd ergens anders zit, onder een emmer waar het speelse en het drukke van mijn kinderen niet doordringt.

Ik kreeg de opdracht om dit boek te maken van mensen die dagelijks met drugsverslaafden werken (het Medisch Sociaal OpvangCentrum Vlaams Brabant). Een boek in opdracht is altijd een beetje anders, maar in dit boek zit heel mijn hart. Ik heb met veel ouders die aan de zware drugs zitten gesproken over hun kind(eren) en over hun leven. Die mensen zagen er allemaal stoer uit en sommigen deden ook stoer, maar als het over hun kinderen ging veranderden ze een voor een in ouders die het beste willen en hopen voor hun kinderen, niets minder. In echte mensen, met wie ik een echt gesprek had. Ik heb dagelijks onechte gesprekken met onechte mensen, dus het viel op.

Ouders blijven ouders, ook al mogen of kunnen ze niet voor hun kind zorgen. En kinderen zijn sterk, als je maar in ze gelooft. En dat deden alle ouders die ik heb gesproken: ze geloofden niet meer in zichzelf, maar wel nog in hun kinderen. Ik hoop dat het boek dit uitstraalt. Dat moét gewoon!

Woorden

In Nieuw werk, Uncategorized on december 2, 2010 at 10:16 am

Ik heb niets tegen woorden. Maar ze zijn zo duidelijk, soms. Of zo onduidelijk. Ze zitten er soms net naast. Of ze herleiden iets tot bijna niets meer, omdat het al zo vaak is gezegd of geschreven. Je hebt er soms zoveel van nodig om slechts iets heel eenvoudigs uit te drukken. En dan nog lukt het je niet.

(Ik had graag goed kunnen tekenen. Eén lijn, een juiste krul, wit over grijs over appelblauwzeegroen, en daar is een wolk waar je uren naar kunt kijken. Je kunt ze zelfs aan je muur hangen en er je hele leven niet op uitgekeken geraken. Maar ik kan niet tekenen.)

En dus moet ik schrijven. Ook als ik een klassieker als Scott Fitzgerald lees (‘Tender is the night’), lees ik heel veel stukken die me niets doen, maar dan kom ik plots een zin tegen die in mijn hoofd openspat en daar alles even stilzet. Dus lees ik verder, en schrijf ik verder.

Een viertal quasi lege schriftjes voor me, voor de boeken die nu nog maar een paar zinnen zijn, of zelfs niet meer dan een gevoel, of een idee of twee. Een paar woorden die zullen uitgroeien tot boeken als ik er tijd aan besteed, als ik ze de nodige aandacht geef en ze omarm, af en toe. En ja, ik zal ze af en toe ook eens moeten uitschelden, vrees ik… Arrogant stelletje driedubbelgefrituurde etterbuilen!

Aanleg voor schaamte

In Interview on september 27, 2010 at 11:24 am

Ik keek dit weekend naar een stukje van ‘Annie MG’, een musical over het leven van de bekende schrijfster. Ik moest het toestel uitzetten, zo slecht vond ik het. Ik ben nooit een musicalfan geweest, en deze reeks zal me niet van mening doen veranderen. Altijd als je een klein beetje mee bent in het verhaal, beginnen ze te zingen, en hoe! Karamellenverzen zonder pit, en dat op een honingzoete melodie. Ik zat er verbijsterd naar te kijken, toen ik uitgelachen was. En daarna deed ik de tv uit. Want ik wil het beeld van Annie M.G. Schmidt uit het interview met Ischa Meijer niet laten uitwissen door al die stroop op het scherm.

Het kost je wel wat minuten, maar het is de moeite waard. Eerst even op het berichttiteltje klikken om de filmpjes (deel 1 en 2) helemaal te zien…

Ischa Meijer interviewt Annie M.G. Schmidt: