boeken voor kleine en grote kinderen

Posts Tagged ‘Jeugdroman’

Nog iets te vieren

In Nieuw werk on februari 10, 2015 at 9:11 am

20150210_093934[1]Ik beloof dit niet elke week te doen, maar vandaag heb ik nog een nieuw boek aan te kondigen: ‘Getekend’, een jeugdroman in de Slashreeks van Querido. Slashboeken vertellen waargebeurde verhalen van bijzondere jongeren, en voor ‘Getekend’ luisterde ik naar wat Katja – nu dertig en zelf moeder – allemaal doorstond als kind en als puber.
Katja’s ouders hebben al heel snel door dat ze hun leven niet samen kunnen doorbrengen. Ze wordt de speelbal van een zwakke vader onder wiens dak ze woont en een wankelmoedige moeder bij wie ze om de week op bezoek moet. Jaren van getouwtrek, geruzie en onbegrip zorgen ervoor dat Katja uit het leven probeert te stappen. Als dat mislukt, komt ze terecht op de jeugdafdeling van een psychiatrisch ziekenhuis, een plek waar ze weer kan ademen. Ze is vijftien dan, hoog tijd dat ze zich ergens thuisvoelde.
Dat Katja met zoveel warmte sprak over de plek waar ze opgenomen werd, maakte me nieuwsgierig, dus ging ik daar een kijkstage volgen. Ik kwam in een warme wereld terecht, waar ik me zeker ook had thuisgevoeld als ik net als Katja aan mijn lot was overgelaten als kind. En in feite was die geschiedenis van verwaarlozing niet eens nodig. Het is geruststellend dat er plaatsen zijn waar je je pantser mag afschudden, waar mensen hun werk met zoveel overgave doen dat het geen werknemers lijken maar engelen die buiten de schijnwerpers goed doen. Allen daarheen! Of je kunt het boek lezen, natuurlijk, daar zijn geen wachtlijsten voor.
Ik draag dit boek op aan mensen die voor elkaar zorgen. Dat heeft niets met psychiatrie te maken, zulke mensen vind je overal. Ik hoop dat ik ook een beetje voor Katja heb gezorgd door dit boek samen met haar te maken. Maar zij heeft zeker voor mij gezorgd tijdens het schrijven, gewoon door te zijn wie ze is: spits, moedig en breekbaar. Merci, Katje, op ons!

Advertenties

Het rode boekje besproken

In Nieuw werk, Recensies on maart 13, 2014 at 8:06 am

2014-03-08 12.25.36 2014-03-12 08.48.18Na de uitgebreide bespreking op Vertel eens, nog twee korte, maar mooie stukjes over Ga niet naar Canada en andere misverstanden over de liefde. (Gazet van Antwerpen en De Morgen.)
De recensente van De Morgen besluit met: ‘Dus: ga wél naar Canada. Word verliefd. Verlies je geliefde. Draag het verdriet. Het loont de moeite.’
Verleidelijk, toch?

Gelukkig ben ik Astrid Lindgren niet

In Nieuw werk, Uncategorized on februari 27, 2014 at 10:36 am

135Daar zijn vele redenen voor. Ik zou al dood zijn, om te beginnen. Maar er is meer. Ik leg het even uit.
Als een boek af is, in de boekhandel ligt, gebeurt er iets vreemds. Mijn personages die tot voor kort nog leefden – hoe grillig of onuitstaanbaar ze soms ook waren, mij midden in de nacht wakker schuddend om te laten zien waar ze heen wilden – die ettertjes zijn onherroepelijk dood nu. Ik verkeer liever in de fase waarin ze nog leefden en van zich lieten horen, en ik ben heel goed in het mezelf wijsmaken dat ze er nog zijn. Maar als de letters tussen de kaft liggen te wachten op lezers, hou ook ik het niet vol. Andere auteurs worden wel eens lyrisch bij het vooruitzicht hun boek te kunnen vastpakken, betasten, doorbladeren; ik deel die snuffeldrang niet. Toch niet net na het verschijnen.
Ach ja, misschien is het ook gewoon ordinaire schrik. Na al die maanden pure arbeid, na de heldere Canadese berglucht die ik ook nog inademde als ik allang terug thuis was, na de intimiteit tussen mij en mijn woorden, wordt het resultaat nu te grabbel gegooid. Dit was wel het boek dat ik wilde schrijven, zeg ik tegen mezelf. Alles wat daarna komt is van minder belang, voeg ik eraan toe, en ik geloof het graag.
Gelukkig kan ik terecht bij mijn kinderen voor een gezonde portie relativeringszin. Zoals mijn zevenjarige zoon onlangs tijdens het voorlezen opmerkte: ‘Wie heeft dát prutsverhaal geschreven? As-trid Lind-gren? Pff, die kan er ook niet veel van.’ ‘Het is nochtans een van de grootste schrijfsters,’ zeg ik, en hij kijkt me aan van ‘ja, het zal wel.’
Maar kijk, er komt een eerste recensie, van Jürgen Peeters op Vertel Eens, en behalve slappe benen levert het ook deze mooie conclusie op: ‘Klaar is één van die figuren uit de jeugdliteratuur met een geheel eigen stem, iemand waar je maar moeilijk vat op krijgt. De subtiele humoristische intermezzo’s en gevatte opmerkingen dragen onmiskenbaar tot de geslaagde karakterisering bij: “‘Het is altijd wel iets met jou’, zegt mijn vader. Ik zeg: het is veel te weinig met mij.” Klaar doet wat denken aan Heide uit ‘Brei met mij’, maar Klaars coming-of-age wordt veel sterker verbeeld; de verrassend volwassen benadering van de verhaalstof en thematiek zal ongetwijfeld adolescenten en jong(volwassenen) aanspreken, en dat is een duidelijk bewijs van haar vakmanschap als auteur. (…) zoveel mag ondertussen wel duidelijk zijn, met ‘Ga niet naar Canada’ heeft De Vlieger haar (literaire) horizonten met verve verkend én verruimd.’
De zegen van mijn eigen kritische kroost heb ik nog lang niet, maar ik heb wel dit al. Mijn personages zijn dood, ja, maar ze liggen niet ergens te rotten, ze krijgen een grafsteen, en er staan al een paar mooie woorden op.

Na het reisverslag, het boek!

In Nieuw werk, Uncategorized on februari 7, 2014 at 10:20 am

Ga niet naar Canada en andere misverstanden over de liefde is dus de titel van mijn vierde jeugdroman. Ik weet het, ik zit jullie eerst weken – maanden – lekker te maken met verhalen over Canada, en nu dit weer.

De cover ziet er trouwens zo uit:
WP_20140206_005Met dank aan de lieve, talentvolle Iris Beeckman. Ik heb het boek nog niet in handen, maar dit mooie plaatje zegt toch al iets. Ga niet naar Canada, ga gewoon naar de boekhandel. Binnenkort!

Mijn Canada (10)

In Over mijn werk, Uncategorized on februari 3, 2014 at 9:12 am

IMG_0609Een beer! (en zoveel meer)

Ik eindig in schoonheid met twee bergwandelingen, Anne is mijn gids. Bij het begin van de eerste wandeling stopt ze geld in een kastje dat aan een boom hangt: daarmee worden de paden onderhouden. Iedereen die komt wandelen betaalt een bijdrage naar keuze, een systeem dat goed werkt volgens Anne. We klimmen langzaam naar een uitkijkpunt, de honden gaan ons voor en leggen dubbel de afstand af omdat ze steeds maar lijken te komen zeggen hoe mooi het daar is, hoe adembenemend mooi. Als we bijna boven zijn, huppelt de oudste hond niet meer. De klim eist zijn tol en hij stapt tegen ons tempo, er jojoën taaie kwijldraden aan zijn bek. Boven krijgen we te drinken, daar heeft Anne voor gezorgd, de hond slobberen2012-10-06 13.59.15 een kom leeg en wij een flesje. Het zicht doet er alles aan om me te verleiden. Blijf! zeggen de rimpelingen op het water beneden in het dal, het zonlicht danst in de fiere dennen en valleien lijken hun plooien glad te strijken, speciaal voor mij. Ik sta lang in de verte te turen en neem afscheid van het indrukwekkende groen, leg uit dat er thuis niet minder dan vier mannen op mij wachten, dat ik niet kán blijven maar ooit wel terugkom voor meer.
2012-10-07 06.05.22

De volgende ochtend maken we een wandeling in de buurt van het huis van Anne en Philip, en dan krijg ik eindelijk mijn eerste beer te zien – niet in levende lijve, maar in de vorm van een hoopje verse, nog dampende kak vol onverteerde bessen. Met een beetje goede wil lijkt het op een gezond dessertje en ik heb hopen goede wil. Een beer! Vlakbij! Zo vlakbij dat hij van de schrik dat hoopje achterliet. De honden staken er een stokje voor dat ik die beer écht zag, en daar ben 2012-10-07 06.15.10ik ze toch dankbaar voor. Het pad waar we langs lopen werd eigenhandig uitgehouwen door Anne, dus hier hoeft er niets betaald te worden. We komen voorbij een cabin die Philip wat hogerop aan het bouwen is, compleet met buitenkachel en barbeque, en met een zicht om van te smullen. Houdt het nog eens op met al dat genot? Ja hoor, en wel dezelfde dag nog. Want ik moet terug, ik moet de auto gaan inleveren bij de Avis-rentalmannen van Calgary Airport, om een paar uur later naar huis te vliegen. Ik neem afscheid van mijn wilde weldoeners en we beloven elkaar om contact te houden.

Ik heb een hele lange rit voor de boeg, tot in Longview, waar ik een kamer heb gereserveerd bij Belgen die een bioboerderij zijn opgestart in de open vlakte rond Calgary. Ik heb veel moeite moeten doen om deze kamer te vinden – het is Thanksgiving en aangezien families hier zeer verspreid wonen zitten alle hotels vol. Ik stop in Creston voor een koffie en een chatsessie met thuis, rijd door het mondaine Fernie langs sjieke boetieks vol wintersportkleren en begin daarna aan de Highway 22: 135 km zonder voorzieningen, vertelt een verkeersbord me. 2012-10-07 13.11.142012-10-07 13.10.262012-10-07 13.51.34 2012-10-07 12.50.34

Ik begin aan de weg met een dubbel gevoel, op de kaart ziet het er plat en lelijk uit, na de bergen waar ik vandaan kom. Maar wat een weg. Ik lijk wel in een western binnen te rijden, langs gigantische weiden waar bizons en stieren op grazen, voorbij ranches waar cowboys nog echt hun job uitoefenen, wat blijkbaar de enige manier is om de kuddes efficiënt te hoeden in al die uitgestrektheid. Michele wacht me op in de pub van het enige hotel van Longview, een klein stadje langs de Cowboy Trail en het eerste plaatsje waar terug beschaving is. Op eigen houtje de boerderij vinden, zou onmogelijk zijn, dus ze kwam me liever daar opwachten.
2012-10-07 14.02.58

De pub blijkt een echte saloon waar alle verweerde koppen in mijn richting draaien als ik door de klapdeurtjes binnenkom. Ik sta wat onbeholpen te zoeken naar iemand die aan de omschrijving ‘Vlaamse bioboerin’ zou kunnen voldoen, maar niemand komt in aanmerking. Dan staat er gelukkig iemand op tussen de cowboyhoeden en de petten. Michele is al zo ingeburgerd dat ze nog nauwelijks te onderscheiden valt van haar cowboyburen, ze verwelkomt me en rijdt me voor naar hun boerderij, een kwartier langs een heel oneffen gravel road. 2012-10-07 15.14.25Hun stekje kan zo dienen als filmlocatie en mijn gastvrouw weet me dan ook te vertellen dat Legends of the Fall, Brokeback Mountain en Dances with wolves in deze flatlands werden opgenomen. Ik mag na de onmogelijk lange rit gewoon de voeten onder tafel schuiven en word getrakteerd op een heerlijk (Vlaams!) maal, à volonté en met de nodige wijn overgoten. Michele en haar man vertellen honderduit over hoe ze hun droom waarmaakten, over hoe ze nog elke dag niet kunnen geloven dat ze in deze uitgestrektheid mogen wonen maar ook over hun geworstel met de regels, over de tol van alles achter te laten. De boerenstiel is al niet van de lichtste, maar hier krijgen ze ook af te rekenen met wilde dieren, vorig jaar vraten kuddes herten systematisch hun velden kaal, en nu staat er een hooibaal met een schietroos zodat ze kunnen leren schieten, de aanvraag voor een vergunning voor een geweer was al binnen. Het ontbijt is al even gul en ik zal de liter koffie goed kunnen gebruiken de volgende 24 uur.

In het vliegtuig krijg ik nog een scheut noorderlicht te zien. Het is niet bijzonder kleurrijk maar het begeestert, de lucht wuift me uit. Mijn hoofd zit overvol en ik pen me een polsbreuk, een half schriftje vol, daarna laat ik noorderlicht en woorden voor wat ze zijn en dommel ik in onder een te klein blauw dekentje. Op de trein naar huis luister ik een gesprek af van een Noor die uit het raam kijkt en opmerkt hoe gemakkelijk het niet moet geweest zijn om in zo’n plat landschap sporen aan te leggen. Bij hem was het wel anders: in de streek rond Oslo was bij het begin van de vorige eeuw het moeilijkste stuk spoorlijn ooit aangelegd. Hij zegt het met trots, en ik besluit hem in de waan te laten en niet over de spoorlijn langs Kootenay Lake te beginnen. Kort daarna komt er een gezette zestiger met zijn vrouw binnengewaggeld, op het eerste gezicht een keuterboertje, maar na een korte kennismaking blijkt dat ik hem nog moést tegenkomen. Hij vraagt waar ik vandaan kom – ik heb belachelijk veel handbagage verzameld – en als ik Canada zeg, grijnst hij: Beat ye! – zij komen van Nieuw-Zeeland. Het is een Nederlander die op zijn twintigste geëmigreerd is naar Nieu2012-10-13 03.09.00-2w-Zeeland, vijf weken onderweg op een oude legerboot, hij had nog geld toegekregen om in te schepen, en hij had er nooit spijt van gehad. Het is een positieve kerel met een open geest, vol straffe verhalen en kwinkslagen, iemand met wie je best een hele dag in een trein zou willen doorbrengen. Wie had deze mensen nog op me af gestuurd? Het moest ooit eens stoppen, natuurlijk, en dan rijden we Gent binnen, de stad waar mijn grootvader de rest van zijn leven doorbracht na zijn grote Canada-avontuur. Ik verbaas me erover hoe grijs alles is, maar ik ruik mijn stal. Het is feest, vandaag is mijn jongste jarig – zes jaar! – en ik ben net op tijd.

Mijn Canada (9)

In Over mijn werk, Uncategorized on januari 21, 2014 at 8:55 am

Yes sister, yes sister! 2012-10-05 14.59.062012-10-05 14.19.33

Als ik mijn droomhuis zou moeten beschrijven, zou er veel hout zijn, een kachel, bergen rondom, een vergezicht, en ja, er mag ook een wasje te drogen hangen, van wapperend wasgoed word ik diepgelukkig. In die droom blijk ik de volgende ochtend wakker te worden, en de koffie staat klaar. Tot hiertoe heb ik naar het landschap gestaard vanuit mijn Hyundai, nu woon ik er plots middenin. Beter nog: Anne wil me mee uit wandelen nemen, ze kent de weg op haar duimpje en haar three big dogs houden beren met interesse in malse schrijfsterskuiten op afstand. Tijdens een ochtendwandeling in het dal vertelt Anne me hoe de honden onlangs werden omsingeld door een horde coyotes. Met veel gebrul en uiterlijk vertoon kon ze de lastposten wegjagen, maar de honden waren er niet goed van. Het zijn doetjes, zegt Anne, maar ze zijn groot en harig en dat schrikt tenminste toch de beren af. Oké. Coyotes dus. Ik ben op stap met een schrijfster met lef, zoveel is duidelijk, deze vrouw verjaagt wilde dieren als het moet. Ik heb ook veel haar maar niet op mijn tanden, dus ik luister, Anne leeft in de bergen net als een personage in mijn boek, en in de bijna zestig jaar die daartussen zitten is de natuur geen sprietje veranderd. Ze vertelt over een hert dat ooit uren had vastgezeten in een omheining palend aan hun huis, daardoor zwaar gewond was geraakt waardoor er geen andere optie was dan het af te maken en in het bad te versnijden tot vlees voor in de diepvries. Dat deed ze niet in haar eentje, ik heb ondertussen ook kennisgemaakt met Philip: achter elke superwoman staat een lieve man. Ze vertellen heel open over hoe ze elkaar ontmoetten op een dating site na allebei al een paar relaties (en kinderen) achter de rug te hebben. 2012-10-05 06.57.35 2012-10-06 06.18.40Nelson staat bekend om zijn fladderaars, zegt Anne, ze heeft zelf drie volwassen kinderen en Philip heeft er ook één, samen hebben ze er geen. Het was soms ingewikkeld en druk maar nu de kinderen groot zijn, is de rust terug.

Na de wandeling ga ik naar de Archives van het Touchstones Museum van Nelson, waar Anne een afspraak voor me heeft geregeld. Tegen dat ik er aankom, zijn ze al met z’n tweeën op zoek naar mijn grootvader en informatie over de mannen die in 1929 langs Kootenay Lake aan de spoorweg werkten. Laura, een grote jonge vrouw met een plat accent en een natuurlijke autoriteit neemt het in handen, ze is zo gefocust en efficiënt dat ik me in de headquarters van 24 waan. De andere vrouw is een vrijwilligster van ver in de tachtig maar zo gebeten door de missie van de dag dat ze kirt als een jong meisje als ze iets vindt. Trofeevondst is een reeks van 40 foto’s waarop de construction workers te zien zijn, alle mannen kunnen mijn grootvader zijn en hij kan ze allemaal zijn. Op één foto denk ik hem echt te herkennen, niemand die het nog kan bevestigen maar goed, fascinerend zijn ze in elk geval. Liefhebbers van korrelige zwart-witbeelden met een Wild-Westgevoel: hier kom je ruimschoots aan je trekken. Uit de kranten halen we ook nog een en ander, maar het blijft bij eerder ‘officiële’ berichten, de verhalen achter de migrant workers lijken het niet tot in de krant gehaald te hebben.

2012-10-05 18.06.04’s Avonds ga ik met Anne naar een benefietavond voor een collega die een auto-ongeluk had. Onderweg naar de happening vertelt Anne me dat ze – kort voor het ongeluk gebeurde – een nare ervaring had met de schrijfster. Toen ze werd gevraagd om voor te lezen, zegde ze toe met gemengde gevoelens. Ik ging meteen mee in haar tweestrijd, bereid als ik ben om wat voor gevoelens ook over te nemen. In het zaaltje zitten vooral collega’s van Anne, allemaal vrouwen, alleen hier en daar een verdwaalde man. De stukken die worden voorgelezen zijn wisselend van kwaliteit, één vrouw in het bijzonder verliest al snel mijn aandacht met zweverige gedichten waar je al na drie regels op een wolk van hoort te zitten. De vrouw ziet er duur uit, met grijs sluik haar, een roze mohair sjaal, een aristocratisch profiel. In de pauze kopen we (letterlijk) een armlengte lotjes voor de fifty-fifty draw, een tombola waarbij de helft van de opbrengst naar de revaliderende schrijfster gaat. Een oudere vrouw die beangstigend goed op Annie M.G. Schmidt lijkt (en ook nog een boek blijkt te hebben geschreven dat Yes sister, no sister heet) stopt haar hand diep in de mand met lotjes en leest het winnende nummer voor. Nog voor ze bij het laatste cijfer is weet ik dat ik het winnende lotje in handen heb. Ik moet het podium op en de aristocrate komt controleren of ik niet lieg, ze leest nummer voor nummer na of het wel klopt dat deze bezoeker van nergens de winnaar is. Ik besluit om het geld niet aan het steuncomité te schenken zoals de vrouw me bazig suggereert, maar het te houden en op te doen aan cadeautjes, voor Anne bijvoorbeeld. De lookalike leest voor uit haar erg grappige werk en net als bij onze eigen Annie hangt de hele zaal aan haar lippen. Daarna is Anne aan de beurt. Flying with Amelia is haar laatste boek en het begint veelbelovend, als ik mijn ogen tot spleetjes knijp voelt het alsof ze alleen voor mij voorleest. De kers op de taart: een privélezing om mijn droomtrip te vieren. Ik had zelf niets beters kunnen bedenken.
We glippen weg voor het einde van de avond en rijden terug de bergen in, de rit heeft iets van een vlucht, we gaan naar waar het donker en geborgen is, naar de rust van naaldbomen en een laatste glaasje voor het houtvuur, met drie kwijlbekkende dekens aan ons voeten. De honden ervaar ik overigens al als geruststellend, het is niet dat ik ze aai, maar veel scheelt het toch niet meer. Mijn tijd in Canada zal veel te kort zijn, gniffelen Anne en ik, maar toch net lang genoeg om die tombola te winnen.

Mijn Canada (8)

In Over mijn werk, Uncategorized on januari 13, 2014 at 2:27 pm

Berenspray, sombrero’s en rode wijn
Anne brengt alles in een stroomversnelling. Na vijf minuten restaurantbezoek blijkt dat ze weet waar ik naar op zoek ben, net iets beter dan ikzelf in feite. Ik heb geen ervaring met het schrijven van een (gedeeltelijk) historische roman, zij wel. Zij kent de streek goed en kent vooral de juiste mensen. Na een half uur heb ik al een afspraak met het Archive van Nelson (waar ik op eigen houtje niet binnen geraakte) én met een oude man die aan de overkant van Kootenay Lake woont. Ze heeft maar een uurtje pauze maar in dat uur is mijn Canadese toekomst verzekerd. Ze vraagt me of ik al een logeerplaats heb voor de volgende nachten. En of three big dogs geen bezwaar zijn? Ze heeft namelijk een schrijfstudio in haar huis in de bergen waar ik gerust een paar nachtjes mag verblijven, en ook al heb ik een onredelijke schrik van honden – grote en kleine – dit is an offer I can’t refuse. Ja, zelfs als ze zegt dat de honden ’s nachts wel eens janken en blaffen naar de beren die vlak bij het huis ronddolen. Of ik daarmee kan leven? Ach, angsten zijn er om te overwinnen. Bovendien is het nog dag, en ik moet naar Tom van de Gray Creek Store aan de overkant van het meer. Anne geeft me haar adres en we spreken af dat ik na mijn bezoek aan Tom naar haar rijd.

2012-10-04 11.51.24Op de Kootenay Lake Ferry bereid ik het gesprek met Tom voor. De Gray Creek Store staat in de gidsen beschreven als de winkel waar ze alles hebben wat je nodig hebt (en als ze het niet hebben, heb je het niet nodig). Melk, brood, kettingzagen, houtkachels. Visvergunningen, boeken, berenspray, én een ruim assortiment Mexicaanse sombrero’s. De winkel bestaat al sinds 1913, toen de stern wheelers er nog aanmeerden, raderstoomboten waar mijn grootvader over spreekt in zijn brieven. Tom is 82 en trotse eigenaar van de winkel, maar hij is ook een man die vol passie met de geschiedenis van de streek bezig is. Zoals Anne zei: als iemand nog iets weet uit eerste hand, moet hij het zijn. Ze heeft hem op voorhand gebeld dus hij verwacht me, we gaan op de porch zitten en hij luistert met twinkelende oogjes naar wat ik weet over mijn grootvader. Dat hij in zijn brieven in detail over Procter en Boswell spreekt, vindt Tom amazing, en hij meent het. Zelf kan hij zich geen Maurice De Vlieger – of Morris2012-10-04 13.39.45 The Fleajer zoals mijn grootvader zich liet noemen – herinneren. Ook de Mary op wie hij verliefd werd, vinden we niet terug in de inwonerslijsten van toen. In de plaats begint hij honderduit te vertellen over wat hij nog weet van de verhalen van zijn vader. Hij neemt me op sleeptouw in zijn jeep, we rijden langs het meer en hij toont me onder meer een plek waar de rotsmassa helemaal is opgeblazen en uitgekapt om de weg te kunnen aanleggen: het werk dat ook mijn grootvader deed. Hij neemt me ook mee naar een vriendin van hem die 8mm-filmpjes heeft van de Camps waar de workers verbleven: daar zou mijn grootvader wel eens op te zien kunnen zijn. Ik kom dichter en dichter bij mijn doel, de vriendin blijkt helaas niet thuis, maar tijd om dat jammer te vinden is er niet, want Tom is alweer onderweg. Ik bevind me op een plek waar mijn grootvader jong en verliefd was, waar de kiem van mijn boek ligt, het is alsof Tom me in mijn eigen hoofd rondleidt, de achtergrondbeelden voorziet bij de woorden die ik al schreef.
2012-10-04 15.30.51Uiteindelijk mis ik mijn ferry en blijven we op de porch zitten praten tot het tijd is voor de volgende boot. Dit extra uur blijkt een geschenk. Mijn eigen opa lijkt even in deze praatgrage winkelier te huizen, en voor Tom is het lang geleden dat hij nog eens zo honderduit kon vertellen zonder dat iemand zei: dat weten we nu stilaan wel. We zijn allebei ontroerd bij het afscheid, en in het schemerdonker neem ik de ferry terug. Ik blijf de hele tocht op het buitendek zitten, kijk naar de 2012-10-04 15.36.04donkere kreken en inhammen, naar de laatste lange schaduwen op de bergflanken voor de zon verdwijnt.

De rit naar het huis van Anne wordt nog een expeditie. Het is pikdonker ondertussen en als ze zei ‘mijn huis in de bergen’ overdreef ze niet. Het plannetje dat ze tekende is niet gedetailleerd genoeg voor mijn onderontwikkelde gevoel voor oriëntatie, maar na veel zoeken en rechtsomkeert maken kom ik uiteindelijk toch op mijn bestemming aan. Waar drie blaffende joekels van honden me opwachten met een bek vol kwijl… ik heb al spijt dat ik geen berenspray heb gekocht bij Tom. ‘Vers vlees,’ zie ik ze denken terwijl ze als dollemannen rond de auto hotsen en hupsen. Ik blijf een beetje lullig zitten achter mijn stuur zitten tot Anne naar buiten komt, en opgelucht stel ik vast dat de honden luisteren naar hun baasje, ze gunnen me zelfs geen blik meer. Binnen brandt de houtkachel, Anne heeft nog kippensoep warm staan, maar misschien wil ik eerst een glaasje rode wijn om te bekomen van de rit? Some guys have all the luck, en vandaag ben ik dat, hell yeah!

Mijn Canada (7)

In Over mijn werk, Uncategorized on januari 7, 2014 at 7:59 am

Een boek, een meer

Ik scheur van de honger dus ik ga naar The old world bakery, een van de gez2012-10-03 05.43.42ellige koffiehuizen in Nelson. Ik wil ontbijten zonder een woord te zeggen, een vriendelijk ‘Fine’ op het eeuwige ‘How are you today?’ uitgezonderd. Het koffiemeisje dringt gelukkig niet aan op een echt gesprek, ze loopt langzaam heen en weer achter de toonbank en zorgt voor net voldoende beweging om goed te kunnen schrijven. Haar gezicht staat vol vreemde bultjes, het lijken allemaal kleine zuignapjes wat afstotelijk klinkt maar in 2012-10-03 05.43.48werkelijkheid is ze knap en maken de bultjes haar bijzonder. Er komt een zwaarlijvige Amerikaan in short en pet een broodje bestellen en als het meisje vraagt of hij er groenten tussen wil, reageert hij gespeeld ontzet: ‘Oh no! I hate vegetables!’ Hij buldert de hele zaak vol, en het meisje is zo lief om even mee te lachen voor ze naar het andere eind van haar toog trippelt. Sommige mensen geven je een goed gevoel, ook al doen ze niets anders voor je dan koffie inschenken. En sommige mensen geven je een slecht gevoel, ook zonder daar al te veel voor te doen. In deze Canadese stopplaatsen kom ik verrassend veel mensen van die eerste soort tegen, of zou dat aan mezelf liggen? In het Hostel praatte ik met een jongen die bij een sjamaan in Zuid-Amerika te horen had gekregen dat hij naar the mountains van British Columbia moest als hij wilde dat het nog iets werd met zijn leven. Bij mij was het mijn grootvader die me daar deed belanden. Oké, de jongen was van plan om in Nelson te blijven, het hostel te kopen (blijkbaar stond dat te koop) en er een activity centre voor yuppies te beginnen, terwijl ik er maar even zou zijn: mijn grootvader was duidelijk minder doortastend als sjamaan. Maar ik zou er wel het maximum uithalen, en daarvoor moest ik terug naar het kleine bibliotheekje boven de bakkerij van Procter.
2012-10-03 09.40.47Ik ontmoet er een zekere Dennis, iemand die een online antiquariaat beheert vanuit dit piepkleine dorpje en heel behulpzaam is. Hij geeft me tips en helpt me ook aan het adres van een vriend die een B&B heeft, de plaatselijke meester die net met pensioen is. ‘He likes boys,’ zegt Dennis nog, ‘so you would be safe’, wat heerlijk vrij klinkt als je de Belgische krampachtigheid van de laatste decennia gewoon bent. In combinatie met zijn e-mailadres waar ‘cycling maniac’ in zit, zou je toch nog het ergste kunnen vermoeden, maar als ik wat later bij hem aanbel, blijkt hij in één oogopslag tot de categorie ‘mensen waar ik blij van word’ te horen. Erwin is een goedlachse afgetrainde wereldfietser die een knap ingericht appartement verhuurt. De plek is charmant en huiselijk en ook de tuin is speels vormgegeven, hij laat je binnengluren zonder dat je je een gluurder voelt. Als ik nu vier weken had, zou ik meteen een weekje op het domein van deze attente man geschreven hebben, maar het korte, vriendelijke gesprekje waar ik het nu moet mee doen is toch beter dan niets.
2012-10-04 08.58.252012-10-04 08.55.222012-10-03 14.25.30Terug in de bibliotheek van Nelson bekijk ik de plaatselijke kranten van 1929 op microfilm. Behalve artikels die iets vertellen over het dagelijks leven zijn ook de advertenties een plezier om te bekijken. Over de migranten die het zware werk doen aan de spoorlijn langs Kootenay Lake lees ik echter niets. Ik moet het doen met stukken over hevige sneeuwval, ongelukken, zwemmende beren en het wekelijkse rubriekje ‘Procter Notes’ waar opgelijst wordt wie bij wie op bezoek ging en hoe lang ze wegbleven.

En dan word ik aangesproken door 2012-10-04 08.34.14een van de bibliothecaressen. Ik denk al dat ik iets fouts doe – zwaar onderhevig aan het cliché dat bibliothecaressen alleen maar berispen, maar nee, ze is nieuwsgierig naar het doel van mijn onderzoek. Ik vertel haar dat ik aan een boek werk. Ze is zelf ook schrijfster, zegt ze, en een van haar boeken speelt zich net als het mijne af aan een meer in de buurt. Na nog een paar zinnen heen en weer sla ik mijn schriftje open en toon ik haar de gele post-it die ik een paar dagen geleden kreeg van mijn gastvrouw in Radium Hot Springs, zo’n 400 km hiervandaan. ‘Treading water’ by Anne Degrace, staat erop, en ja hoor, dat blijkt het boek, en dus ook de schrijfster. Om dat gelukkige toeval te vieren nodigt ze me uit om de volgende dag samen te lunchen. Anne is een vrouw die de dingen in handen neemt, zo zal de volgende dagen blijken, maar ik voel het nu al, een gigantische beschermengel neemt mij onder zijn vleugels en zal gul zijn met sterren strooien tijdens mijn laatste dagen hier. De volgende ochtend pak ik mijn bagage en check ik uit, het hostel is me iets te druk. Ik ben vast van plan een overnachtingsplekje aan het meer te zoeken. Maar eerst mag ik gaan lunchen, met niemand minder dan Anne Degrace.

Mijn Canada (6)

In Over mijn werk, Uncategorized on december 12, 2013 at 10:17 am

De heen-en-weervrouw
Je zou beginnen te denken dat ik mijn eigen boek uit het oog verlies van al dat reizen, maar daar is niets van aan. Ik schrijf deze reisindrukken een jaar na datum, en ondertussen zit het boek zelf in de absolute eindfase van het lange proces. In Cascannen0003nada zat ik ook al niet meer bij het begin, ik wist goed waar ik naartoe wilde, wat ik nodig had voor het verhaal. Of misschien wist ik dat niet zo goed, maar bracht ik mezelf in een ontvankelijke toestand. Twee weken lang wás ik mijn boek, ving ik zelfs de kleinste stofjes tussen mijn bladzijden.
Ondertussen is het manuscript klaar en ligt het bij de uitgeverij. Zelfs de Nederlandse redactie is al achter de rug. Want ja, ook dat hoort erbij: Nederland moet zijn zegen geven. Mijn grootvader werd in het Oost-Vlaamse Nevele geboren, week daarna uit naar Gent – met een tussenstop in een paar Canadese provincies, maar geen enkele in Gelderland of Drenthe. Vandaar dat ik niet plooi voor elke Nederlandse suggestie. Eigenlijk mag hij niet graag zien, hij moet houden van. Nou moe! Als auteur krijg je wel het laatste woord, en desnoods mag je álles naast je neerleggen, maar eerst moet je flink de lange rit van soms ronduit Hollandse woorden en uitdrukkingen uitzitten. Ach ja, het kost je een dag, meer niet. En na het persklaar maken van al mijn boeken heb ik zo onderhand genoeg materiaal om eens iets te schrijven over een Groninger die prielen gaat doorwaden op Ameland. Op zijn minst! Maar in dit boek zien mijn personages elkaar nog graag. Doodgraag, sommige dan toch.
Maar goed, ik zat nog in Canada. In Nelson, meer bepaald, waar het hoofdkwartier van de Canadian Pacific Railway zich in 1930 bevond. Ik heb een slechte nacht op een wiebelig en piepend stapelbed achter de rug, boven een luid snurkend meisje dat duidelijk woelige dromen doorspartelde. Maar ik ben vastberaden opgestaan. Vandaag ga ik grote stappen zetten. Ik begin met de bibliotheek van Nelson. De bibmedewerkers worden meteen enthousiast van mijn vraag naar informatie over de streek in 1930 en ze slepen de boeken vanuit alle hoeken aan, tot er een toren voor me ligt. Helaas mag ik ze niet ontlenen, dus neem ik me voor om na mijn bezoek aan Procter terug te komen.

Procter is een dorp waar je alleen met een kleine overzetboot raakt, maar aangezien het het dichtste dorp was bij het Camp waar mijn grootvader de spoorweg hielp aanleggen, kan ik er niet omheen. De autorit ernaartoe is alweer van een verpletterend2012-10-02 09.44.08e schoonheid, maar ik heb een doel, en ben ik ook al niet een beetje verwend na een week langs schoonheid snorren? De oprit voor de ferry ligt verborgen op het einde van een klein zijweggetje, alleen wie hier woont heeft het nodig, geen toerist te bespeuren. De kapitein van de overzetboot spot deze nieuweling dan ook meteen en nodigt me uit in zijn cockpit. Ik moet even aan het roer gaan staan, hij laat zien hoe, en zo wil hij me fotograferen. Ik doe wat hij vraagt en lach als 2012-10-02 09.45.20een boer met kiespijn: ik heb net een automatic leren besturen en heb geen ambitie om stuurvrouw op een heen-en-weerboot te worden. We komen toch zonder ongelukken aan de overkant en een korte rit later ben ik in Procter.
Procter is klein en echt van de wereld weg. Ik begin bij de local store, zo doen ze dat in films ook. Voor de open deur staan drie vrouwen te praten, ze begroeten me verrast en zetten dan hun drukke gesprek verder. Deze local store verkoopt alles, van poppen in piepschuim over veters tot overalls en diepvriesbroden. Zoals wel vaker in een winkel overvalt me een gevoel van hulpeloosheid. Ik moet iets kopen, maar wat? Na een verlammend overleg met mezelf graai ik een pak kaas uit de koelkast. Ik reken af en stel geen enkele vraag aan de vrouw, die me geamuseerd aankijkt. Het is een dik pak kaas, zo blijkt als ik buiten sta. Zwitserse kaas.
Next stop: The Bakery. The Bakery is meer dan een bakkerszaak, het is een ontmoetingsplaats voor de dorpelingen en het ruikt er heerlijk. In plaats van als een gek mensen te beginnen interviewen koop ik een gigantische kaneelbol.2012-10-02 10.22.55Ik ga buiten zitten, waar niemand zit, en duik weg in mijn schriftje. Ik heb niet eens honger. Maar je mag zelf koffie inschenken, onbeperkt.
Het plaatsje is echt rustig. Een paar moeders komen naar het eenvoudige speelpleintje, roken een sigaret, roepen af en toe een waarschuwing naar een klimmende kleuter. Een paar mannen slurpen koffie en praten met gedempte stem in het kleine gelagzaaltje van de Bakery. Geen enkele auto rijdt voorbij.
Na mijn derde kop koffie kan ik iedereen interviewen. Zelfs de stoel tegenover me. Ik begin toch maar bij de bakker, die ook een beetje bibliothecaris blijkt. De bibliotheek ligt boven de bakkerij, maar ze is vandaag helaas niet open. De dag erna wel, dus ik moet terugkomen, maar de vriendelijke bib-bakker laat me toch al even de collectie zien. En hij weet ook wie ik moet zien: Nick Dosenberger, de man die alles weet van het dorp. De naam klinkt vertrouwenwekkend, al moet ik onwillekeurig ook aan Lynch’ Lost Highway denken terwijl ik het juiste huis zoek. 2012-10-02 11.43.32De man in kwestie blijkt inderdaad heel wat te weten over het dorp, en hij praat graag, maar toch vooral over wat hem bezighoudt. De zelf aangestoken bosbranden bijvoorbeeld, hele flanken zijn er platgebrand door de Canadian Pacific zélf, omdat dat sneller ging dan bomen omleggen. Zijn vrouw zit er breed lachend naast en ik voel dat zij misschien wel beter snapt waar ik naar op zoek ben, maar ze laat haar man spreken. Het Camp waar mijn grootvader heeft gewoond kan op twee plaatsen liggen, zegt Nick, alle twee even onbereikbaar, tenzij ik een boot heb of een stevige bergtocht wil aanvangen. Ik moet me de vraag stellen hoe graag ik op die plaats wil staan. Sporen van het Camp zijn er allang niet meer, maar misschien wil ik exact zien wat mijn grootvader zag als hij opstond? Op de terugweg heb ik genoeg tijd om daarover na te denken, overzetboot en autorit kosten me toch algauw weer anderhalf uur tot in Nelson.
2012-10-04 08.04.36In de gemeentelijke bibliotheek van Nelson duik ik in mijn boekenstapel. Ik lees, noteer en kopieer. Ik ben een paar uur zoet, voor het sluitingsuur wil ik de helft van de stapel doorgenomen hebben. Ik voel me goed omringd door lezende mensen – in bibliotheken vervallen alle grenzen, jong of oud, local of outsider, iedereen zit gebiologeerd over woorden en beelden gebogen. Tegenover mij zit een studente die met engelengeduld bijles geeft aan een sombere mollige tienerjongen. Ze fluistert zo sensueel in zijn oor dat hij volgens mij niets hoort van wát ze precies probeert uit te leggen. Maar ik geniet mee van hoe zacht en vol vertrouwen ze met hem omgaat, hoe ze gewoon door dat norse uiterlijk heen kijkt. Ik weet niet of het iets wordt met zijn cijfers voor wiskunde, maar ben ervan overtuigd dat hij met deze bijlessen zeker gebaat is, ik hoop dat hij er elke dag krijgt.
Het is al donker als ik de bib uit loop. De verhalen over Kootenay Lake wandelen mee de trappen af, door de donkere straten van het stadje. Ik weet wat me te doen staat de volgende dagen. Deze dag herhalen, maar dan beter. Ik ben naar de juiste plek gekomen, en ik weet op dat moment nog niet eens hoe juist de plek zal blijken.
2012-10-02 12.35.28 2012-10-03 07.39.36

Mijn Canada (5)

In Over mijn werk, Uncategorized on december 5, 2013 at 9:18 am

Aan Kootenay Lake
“Misschien weet ge de provincies van Canada niet goed en bijzonder hunne ligging daarom wil ik u een weinig inlichten over dit groot en schoon en binnen enkele jaren vooraanstaande land van gansch de wereld: dit zijn de provincies van Oost naar West of liever van den Atlantischen Oceaan naar de Stillen Oceaan: Nova Scotia, Prince Edward Eiland, New Brunswick, Quebec, Ontario, Manitoba, Saskatchewan, Alberta en ten laatste aan den Stillen Oceaan British Colombia met een oppervlakte van 355.855 vierkante Engelsche mijlen, een mijl 1609 meter lang. Al deze provincies hebben een grootte van vijf of zes maal deze van België zoo ge kunt denken hoe groot Canada is. British Colombia is de bijzonderste provincie van gansch Canada. Voor de kweek van fruit hier ziet men de schoonste boomgaarden van gans het land. De appelen groeien hier langs de straaten en in de bosschen, natuurlijk op bomen, hé…”
Dit schreef mijn grootvader op 22 juli 1929 in een brief aan een vriend. Na vier dagen reizen rijd ik zelf British Columbia binnen. De rit zal in totaal zeven uur duren en leidt me verder weg van het ruige van de Rockies, door het brede dal waar de stad Cranbrook ligt. Op een verlaten plek aan de rand van die stad ligt het Railway Museum: daar kan ik niet omheen met een grootvader die bijna een eeuw geleden voor Canadian Pacific Railways werkte. Ik ben er de enige bezoeker en bekijk plichtsgetrouw de beelden van de tentoonstelling. Ik zie veel technische specificiteiten die wel een beeld geven over treinen als object maar niet over de mannen die de sporen aanlegden. 2012-10-01 07.46.44De vrouw aan de inkom kijkt nauwelijks op van haar glossy als ik haar vraag of iemand wat meer uitleg kan geven. Ik blijf staan. Verder bladerend zegt ze dat ik eens op de website kan kijken. Dat is het nadeel van deze digitale tijden: waarom nog naar de plek zelf gaan als er websites bestaan? Ik dring niet langer aan, behalve hair extensions heeft de vrouw duidelijk andere dingen aan haar hoofd. Op hun boekenrek staan wel interessante werken die zijdelings over de aanleg van de spoorwegen gaan, ik schrijf wat titels op en snor daarna verder in mijn intussen vertrouwde rode Hyundai Sonata waarvan ik het interieur al gezellig bekruimeld en volgegooid heb. Een heerlijk neveneffect van deze trip is dat ik niet elke avond hoef te koken voor vijf mensen. Ik laat me helemaal gaan in de notenrepen en de instantgerechten, het blikvoer rolt vrolijk heen en weer op de achterbank.
De vallei waar Cranbrook lag vond ik niets bijzonders, anderhalf uur later rijd ik door de paradijselijke omgeving die mijn opa beschreef in zijn brief: fruitbomen zo ver je oog reikt, lieflijke glooiingen, een landschap zoals op een kindertekening. De Verenigde Staten liggen op slechts 10 km hiervandaan, maar mijn doel lonkt: ik ben al in de Kootenay Region, nog even en ik ben er écht.

2012-10-01 11.06.23Terwijl ik over Kootenay Pass rijd is op de radio een discussie over Syrië aan de gang, wel twee uur lang hoor ik niets anders dan gesprekken, mensen die bellen om hun eigen verhaal te doen, een moderator die iedereen zijn tijd en zijn stiltes geeft, geen enkel relativerend muziekje. Het is radio die het medium zelf doet vervagen, enkel het onderwerp telt, in dit geval, een schrijnend onderwerp, toen al, en een jaar later nog zoveel meer. Het kilometerslange donkere sparrenbehang is een sereen decor voor al die verpletterende getuigenissen van mensen die op zoek zijn naar een leven – niet alleen naar een beter leven zoals mijn grootvader. Ik luister tot de ontvangst te slecht wordt maar ben dan al bijna in Nelson, aan Kootenay Lake.
Kootenay Lak2012-10-01 14.04.27e is het meer waar ik al twee jaar over fantaseer en hier ligt het eindelijk voor me. Ik kan het aanraken maar in de plaats ga ik op zoek naar een slaapplek. Ik bevind me nu in Pacific Time, wat het verschil met thuis op negen uur brengt, maar wat vooral wil zeggen dat het Hostel nog niet open is. Ik loop voorbij maar liefst drie bookshops, een paar tweedehandswinkeltjes, talloze organic food stores, ik waan me in een Londense hippiebuurt, niet verwonderlijk als je weet dat Nelson bekend is voor zijn Arts School en de vele kunstenaars die er blijven hangen. In de coffeeshop waar ik iets ga drinken worden net metersgrote schilderijen van de muur gehaald, de kunstenares haalt haar werken op terwijl haar twee verveelde zoontjes zonder al te veel hoop op succes zeuren om een cola, de ene heeft een gevaarlijke hoest. Het ziet er niet naar uit alsof de vrouw veel heeft verkocht en ik word er in haar plaats moedeloos van. Ik wil eigenlijk ook geen koffie, ik wil geen kunst aan de muur, ik wil geen veganistisch glutenvrij koekje. Het is alsof ik nu pas alle  kilometers van de afgelopen dagen voel, en ik wil maar één ding. Een bed. Én eten, oké, ik wil twee dingen.
Bij een blik troostende Cam2012-10-01 13.40.42pbell’s Minestrone Soup in het Hostel overloop ik wat me hier allemaal te doen staat. Ik wil naar de bibliotheek en het Museum of Arts and History, ik wil met de ferry naar Procter, het dichtste dorpje bij het Camp waar mijn grootvader verbleef, ik wil mensen aanspreken, informatie verzamelen, researchen! Hoe meer ik lepel, hoe kordater ik word. Geen uitstel meer, spreek ik mezelf streng toe. Even kikker ik helemaal op van mijn eigen planlust, zozeer zelfs dat ik nog wat blijf zitten in de overvolle Hostelkeuken. Ik luister naar het internationale gezelschap, allemaal backpackers die elkaar om de oren slaan met afgelegde afstanden en aantal reisdagen. Ze hakken verse groenten, wisselen met grote ernst kruidentips en gaartijden uit. Ik spoel mijn soepblik om en beslis dat ik er geen verhalen meer bij kan hebben. Geen een! Ik sluip weg uit de keuken en kruip belachelijk vroeg onder de wol. Morgen ga ik op onderzoek uit, iets zegt me dat ik wat extra slaap zal kunnen gebruiken.