boeken voor kleine en grote kinderen

Archive for the ‘Over mijn werk’ Category

Muurbloemen (8): Schimmen en Mickey Mouse

In Over mijn werk on september 1, 2017 at 8:10 am

Het is met schimmen net als met spinnen: zonder is je huis niet gezond. Buiten ruikt het naar één september maar ik doe gewoon de deur dicht. De jongste is vertrokken naar het zesde leerjaar. Gisterochtend bij het ontbijt vroeg hij me nog: ‘Ben je bang om dood te gaan, mama?’ Ik wist al waar het heen ging. Hij wil wel geloven in reïncarnatie maar heeft een volwassene nodig die mee gelooft, om zijn kansen op terugkomst te verhogen. In zijn volgende leven wil hij een kat zijn, zegt hij, in hetzelfde huis als waar we nu wonen, maar dan met andere mensen ‘want jullie zijn dan al allemaal dood’. ‘Ik wil wel een beer zijn,’ zeg ik. ‘In het wild?’ vraagt hij blij. ‘Wat dacht je?’ zeg ik. ‘Ik ga zalmen vangen en van de berg af rollen.’ O ja, zie ik hem denken, ze gelooft het, bijna.

Het is met schimmen net als met spinnen, niets om bang voor te zijn, want meestal zie je ze toch niet. In spoken gelooft de jongste niet. ‘De blauwe vogel’ was ooit zijn lievelingsboek, ik verdwaalde in de tekst maar hij probeerde het niet te begrijpen: de kracht van de kleuter. De schimmenstoet uit dat boek is een aandenken aan al die mooie, moeilijke woorden die we zachtjes in zijn oor fluisterden voor het slapengaan. Ik heb deze zomer één keer voorgelezen, voor de grap dan nog, een verhaal uit Otje van Annie M.G. Schmidt, hij vond het zalig, ik vond het zalig, maar de volgende avond zei hij: ‘het hoeft niet meer, hoor, mama.’ Gelukkig is er altijd wel iemand in een staat van regressie in dit huis, momenteel de middelste van bijna vijftien, die graag wil gevoederd en voorgelezen worden, uit ‘Charlotte’s web’ (zijn spinnenfobie vraagt om kordate actie). Ik kan heel veel niet – tekenen, voetballen, kaartspelletjes, bouwen met Lego, praten over piraten – maar ik kan wel voorlezen, zo lang ik leef. De Mickey Mouse herinnert me daar elke dag aan. Er hangt een hartverscheurend verhaal aan vast, over een vader die veel te vroeg stierf, over een zoon die zich herinnert hoe hij zat te tekenen met zijn vader die een goeie Mickey Mouse in de hand had en hoe hij dat als kleine jongen nabootste. Het is niet mijn verhaal, het hoort toe aan Carll Cneut.

Het is met schimmen net als met spinnen: ze moeten hun plaats kennen. In het geval van die eerste verwijs ik ze graag door naar het schilderij van Carll Cneut: veel beter kan het niet worden voor een schim. Voor de spinnen daarentegen heb ik geen pasklare oplossing, maar een beetje spanning kan ik wel gebruiken in mijn leven.

Voor Carll Cneut

Schimmen is een illustratie uit De blauwe vogel (van Maurice Maeterlinck en Do Van Ranst). De Mickey Mouse is een van de illustraties die Carll uitdeelde na de ontroerende voorstelling ‘Klei’, waarin Wouter Deprez vertelt over de kindertijd van Carll Cneut.

Advertenties

Muurbloemen (7): Het meisje en de rozen

In Over mijn werk on augustus 30, 2017 at 9:47 am

Het was Iris die ooit tegen mij zei: schrijven, jij! En dat deed ik, voor haar, ik schreef de tekst voor Reuzeneuz en Zobie, waar zij illustraties bij maakte. Dat werd mijn eerste boek, en daarna was ik niet meer te houden. Nu heb ik al ontelbare keren tegen haar gezegd: fotograferen, jij! maar ze luistert niet. Niet iedereen is even gehoorzaam als ik. Ze moet eerst haar thema vinden, zegt ze. Het lijkt me nochtans overduidelijk wat dat is (zie de foto van het Balthus-meisje). Ik lach haar soms uit, met haar voortdurende zoektocht naar iets wat ze allang gevonden heeft. In een ernstiger bui doet ze me wel eens nadenken over mijn eigen thema. Schreef ik al die boeken zonder te weten wat mij drijft? Maar hé, na al die jaren Iris, na al die boeken, weet ik het plots. Ik ken mijn thema. Het is als een veel te grote vis die ik in mijn armen in bedwang probeer te houden, hij verspert me het zicht. Soms ligt hij stil maar vaker spartelt hij, verwondt hij mijn armen met zijn harde schubben, slaat hij mij in het gezicht met zijn staart. Thema’s zijn zelden beleefde wezens. Af en toe springen mijn thema en ik in het diepe, en dan geef ik het de vrijheid, kan ik ook weer even ademen. Dat is schrijven voor mij. Dat móet ik doen, of ik ga ten onder aan die vis. Tussen twee boeken in kruip ik weer op de steiger, ik voer hem stukjes brood, hou je nu even gedeisd, zeg ik. Ooit gaan we nog eens vrienden worden.

Voor Iris Beeckman

Met mijn belabberde gsm-beelden kan ik maar moeilijk weergeven hoe puur de foto’s van Iris zijn. Maar neem het gewoon van me aan. Er hangen er een paar op, verspreid over het huis, stuk voor stuk gedroomde muurbloemen. Als dat geen waarheid is, eet ik mijn pofbroek op.

Muurbloemen (6): All you need is love

In Over mijn werk on augustus 29, 2017 at 10:22 am

Kitty Crowther is een lastige. Over haar werk schrijven is als een droom uitbeelden. Niemand heeft er wat aan. Maar ze hangt ondertussen wel weer aan de muur, ik heb weinig keuze… Dus hier ga ik. Kitty Crowther brengt me terug naar wie ik was als kind (ik heb jullie gewaarschuwd!), toen ik altijd dezelfde tekening maakte van een sneeuwman, tot in mijn eigen poëzie toe. Ik tekende vast ook andere dingen, maar alleen die sneeuwman opnieuw en opnieuw is me bijgebleven. De overvolle prenten van Kitty Crowther brengen dat oergevoel terug, de genoegdoening die het me gaf om nóg een sneeuwman af te werken, lichtjes anders dan de vorige, het was als modder tussen mijn vingers, aards en fysiek. Ik zou perfect gedijen in haar chaos van gekke figuurtjes op de grens tussen flora en fauna, met een vacht van bladeren of veel te veel haar, tussen de broeierige planten en de koekjes met een gezicht. Het zou als een wereld zijn waarin ik perfect mijn rol ken en speel. Helaas stuurt de VDAB me nooit vacatures voor dergelijke functies, dus rest me maar één ding. Velen zijn geroepen om een verhaal voor haar te schrijven, heb ik me laten vertellen, en weinigen uitverkoren. Maar ik ga dat gewoon doen. Er komt een boek van, dat voel ik. Zo niet, maakt het ook niet zoveel uit. Kitty Crowther is een droom, tenslotte. Lose the dream, zegt elke redacteur met klem. Dat gaat me wat ver. Maar als bloem aan de muur is een droom op zijn plaats.

Voor Kitty Crowther

De illustratie werd in De Standaard der Letteren gebruikt als coverbeeld voor een themanummer over liefdesbrieven. Ik hou het meest van haar weelderige prenten, maar deze laat de essentie zien, en als iemand me daarop mag wijzen (behalve Mona van Kristien Dieltiens dan), is het Kitty Crowther wel.

Muurbloemen (5): Drie etsen

In Over mijn werk on augustus 27, 2017 at 12:09 pm

Lang geleden waren wij op zoek naar een levensstijl die bij ons zou passen. Het mocht iets kosten (maar niet te veel). Er kwam een vertegenwoordiger langs met een catalogus, hij zei dat we niet alleen op kleur moesten kiezen, de hele look and feel moest goed zitten, vond hij. We poeierden hem af en gingen zelf op zoek. We bezochten huizen, vaak leegstaande panden, soms waren ze te koop. Een huis is nog geen levensstijl, maar dan wonen we alvast, dachten we. Na vier jaar twijfelen gingen we over tot aankoop. Het was helemaal niet perfect, maar de tuin was een wildernis en op het overgroeide pad konden we verdwalen. Was dat niet meer dan genoeg? Soms wel, ja. Maar we bleven naar huizen rijden, op zoek. ‘We zijn een draad, en we willen het weefsel kennen’, las ik deze ochtend in het prachtige interview in DS met Raymond van het Groenewoud (citaat van Flaubert), en zo is het. De zoektocht is het hele leven. Soms woonde er iemand in het huis waar we terechtkwamen. Koen bijvoorbeeld. Koen leeft onder een paar oude bomen aan de rand van Vlaanderen. Hij speelt orgel. Hij etst. Hij drinkt koffie. Hij schrijft. Hij rookt. Hij kijkt naar de vogels. Ik heb een paar werken van hem. En twee etsen die onze oudste kinderen jaren geleden samen met Koen maakten. Een cool konijn met een lachende zon én een lachende wolk en een ingenieuze ondergrondse mierenconstructie, al helemaal typerend wie deze twee kinderen zijn. Koen doet al een leven lang aan een soort slow-living avant-la-lettre, maar een levensstijl zou hij het nooit noemen, denk ik. ‘Zoek een leven,’ zeggen de kinderen soms. En dan knik ik.

Voor Koen Overmeire

De ets van Koen zelf is gemaakt in 1979. Er staat een wulp op, of is het een grutto? Het maakt niet uit, hij staat er, in een duinenlandschap, en in al zijn prachtige details.

 

 

Muurbloemen (4): Twee meisjes

In Over mijn werk on augustus 25, 2017 at 8:24 am

‘Laat ik maar eens problematisch en hoogdravend beginnen: waarom schrijft iemand? Natuurlijk niet om met woorden zijn ogen te imiteren, of zijn neus, zijn oren, zijn vingertoppen. Waarschijnlijk is het iets anders, iets hoogmoedigs, iets wat niet te bereiken is maar toch geprobeerd wordt: het beschrijven van het onbeschrijfelijke. En dat lukt nooit, want het onbeschrijfelijke is niet te beschrijven. Anders zou het wel het beschrijfelijke heten.’

Dit zijn niet mijn woorden. Ze zijn van A.L. Snijders (in Heimelijke vreugde 2, p. 71), en ik leg me neer bij de autoriteit van deze grootheid. Schrijven is falen, het bestaat niet. Het zou deprimerend kunnen zijn om het toch te willen, en dat is het soms ook. Maar het mooie is dat we allemaal falen. De een al wat grondiger dan de ander, maar wat zou het. Het is een troost dat het niet zal lukken, A.L. Snijders slaat spijkers met koppen. En dat brengt me handig bij de volgende muurbloem, een lastige om te beschrijven. Dus houd ik het voor deze keer bij het beschrijfelijke:

‘Twee meisjes’ bestaat uit

  • 154 staalnageltjes
  • 1.48 m katoendraad (roze)
  • 1 multiplexplaat van 15 bij 30 cm
  • 1 paar geduldige handen van Kristien Willems

Dat laatste zorgt ervoor dat hout, draad en nageltjes samenspannen tot het gewenste, onbeschrijfelijke resultaat.

Voor Kristien Willems

‘Twee meisjes’ is vrij naar de cover van het prachtige prentenboek van Siska Goeminne met illustraties van Anne Westerduin. Behalve meisjesspijkerbedden ontwerpt Kristien Willems ook onmogelijke meubels.

Muurbloemen (3): Cuvée café

In Over mijn werk on augustus 24, 2017 at 11:50 am

Koffie. Zwart.
Ik ben er ooit onbezonnen aan begonnen, voor de automaat van de Blandijn, die in een donker hoekje onder de trap stond, waar de gruislustigen in de rij stonden voor hun shot licht opwekkend vocht in veel te dunne bekertjes, eerst brandde je je vingers, daarna je tong, daarna nam je er nog een en werd het zelfs opbeurend en na een bekertje of zes kon je de existentialisten citeren – of toch bij benadering. Ik bleef de munten maar inwerpen, bekertjes leegdrinken, voor sigaretten was ik veel te braaf. Ik dronk in die periode ook veel slechte oploskoffie in mokken die nog lelijker waren dan het kotbehang van mijn vrienden – het was dat of sangria. Daarna verbeterde de toestand, al waren er nog momenten van lauwe koffie, gore, dikke, te straffe koffie, zoete koffie met melk, koffie van het foute merk. Als we zelf koffie maken, is hij ondertussen uiteraard perfect. Zo perfect dat ik hem per thermos drink. Ik moet leren degusteren, ben nog niet klaar voor de slow-coffeeconceptbars. Maar op één plek hebben ze me helemaal begrepen. Toen ik in het Guislain een rondleiding kreeg op de gesloten afdeling was er net koffiepauze. De patiënt die met de kan rondging vroeg of ik ook wilde. Ik stak mijn lege kopje uit en hij begon te gieten. En hij stopte niet. Het stroomde over en ik voelde het spatten op mijn benen maar ik deed niets. Ik lijk wel vaker in een absurdistisch theaterstuk beland maar deze patiënt was eerder een ziener dan een nar: dit is toch hoe jij koffie drinkt, wilde hij zeggen. Dus hij bleef gieten, en keek me aan van: profiteer ervan, gratis koffie, gooi maar in je keelgat. Ooit doe ik daar wat aan. Ooit neem ik plaats aan een (proper) smeedijzeren tafeltje en degusteer ik koffie uit een elegant kopje, van porselein. En daar hoort deze kan van Laurence Kalman bij: ooit een deel van een reeks collages, maar nu al heel lang een van onze oermuurbloemen.

Naschrift: Ik schreef dit stukje deze ochtend in een wachtkamer en terug thuis zie ik dat er geen sprake is van een koffiekan! Wat een geluk. Stel je voor dat dit over wijn ging.  

Voor Lolo

Laurence Kalman is half Parisienne en helemaal rebel en gebruikt haar goede oog om collages te maken, vaak van koffiekannen (al kunnen het ook andere voorwerpen zijn). Met haar andere goede oog geeft ze frivole knipoogjes naar de ober om nog een fles te laten ontkurken.

Muurbloemen (2): Vallen

In Over mijn werk on augustus 23, 2017 at 10:34 am

21074462_10212718009200403_1444464571_n Regelmatig vragen wij ons af: drie kinderen, een huis, hoe zijn we hier nu weer verzeild? Regelmatig moeten wij verjaren, ook daar geen genade, één keer per jaar geloven we eraan. Maar het goeie is: daar komen cadeautjes van, en ik hou van zijn cadeautjes. Ik kreeg al een kringloopschilderijtje van klaprozen, een Le-Creusetkookpot voor 12 personen, een trouwfoto van een nonkel en tante die we niet kennen, zelfverzonnen verhaaltjes. Een kostuumjasje waar maar één man in paste. Een gedicht à la James Fenton. Een beeldje van de godin Diana met twee herten. Soms krijg ik heel veel ineens en soms krijg ik niets en stuur ik hem naar de winkel. Regelmatig vraag ik mij af wie mijn lief eigenlijk is. Heel soms verjaart hij ook, en dan wordt het lastig. Een accordeon voor zijn veertigste (prachtstuk!), theatertijd voor ons twee, leuk, maar aan zijn roekeloosheid kan ik niet tippen. Hij heeft nooit doemgedachten, beweert hij. Regelmatig vraag ik mij af of hij liegt. Hij zegt: je bent pas gevallen als je op de grond ligt. Dat laatste is zeker gelogen. Regelmatig vangt hij mij op (als hij thuis is). Dus kreeg hij dit jaar een illustratie cadeau, van een man, en een vrouw, en een bed, en een boek, en daartussen witte wolken. De man vangt haar op, ja, maar vallen doen ze allebei. Niemand minder dan Inge Bogaerts legde dat vast, voor ons, en zonder dat ze het wist. Niemand anders dan Inge Bogaerts kon dat. Zij bestaat, en ik mocht haar leren kennen op een receptie in Bologna. Muurbloempjes zijn we, die opbloeien in elkaars licht.

Voor Inge Bogaerts

Voor ze op onze muur terechtkwam, werd deze illustratie gemaakt voor ‘Iets’, een uitbundig prentenboek van Inge met tekst van Geert de Kockere.

Muurbloemen (1): Mona

In Over mijn werk on augustus 22, 2017 at 10:28 am

Elke ochtend kijk ik nu naar Mona. Ze kijkt niet terug. Ze heeft haar eigen zorgen, maar ook een brede rug. Ze zegt: leg maar op mijn schouders, bij mij kun je het kwijt. Ik sta aan de afwas, spoel de dronken vliegjes uit de wijnglazen van gisteren. Ik moet aan het werk, maar probeer eerst nog een paar gedachten uit op Mona, hoop, wanhoop, verlangen, fataliteit, wat zal het vandaag eens worden? Mona is mijn rots. Ze zegt: het wordt wat het wordt, liefje. Maar ik zeemde de ruiten, speciaal voor jou, zeg ik. Er vlogen al drie vogels tegen. Is dat niet triest? Haar rug wordt breder. Jij geeft licht, zeg ik, alsof Spilliaert je schilderde maar dan zachter en zonder altijd die zee. Ze zwijgt. Drink een groot glas water en ga schrijven, wil dat zeggen. Gehoorzaam ben ik, maar alleen bij jou, Mona.

Voor Kristien Dieltiens

(Behalve een schilderij is Mona een personage uit de pakkende roman ‘Kortgeknipt’ van Kristien Dieltiens, ook al zo’n mooie compositie maar dan in woorden.)

 

Chill bro

In Over mijn werk on april 21, 2017 at 8:38 am

Ik ben nu al een week of drie ziek, echt Gents als ik ben zijn mijn luchtwegen aan een soort eigen circulatieplan begonnen, het stropt nog op sommige plaatsen maar het komt goed, zeggen specialisten. Veel tijd om na te denken. Bijvoorbeeld over het feit dat ik hier algemeen als moeder beschouwd word, in huis, al zestien jaar bleek onlangs toen mijn oudste zestien werd. Zestien jaar in een rol die me nog elke dag verbaast. Ik koos een man uit de rekken en kreeg er drie gratis, altijd opletten met dergelijke praktijken. Maar ze zijn er, in sickness and in health, en dat hebben we geweten, de voorbije weken. Het was vakantie en we hingen collectief snotterend en hoestend in de zetel of rond de keukentafel, het was te koud voor de hangmat dus we deden alsof het nog winter was en kozen elk een deken, die valse lente zou ons niet liggen hebben.
Het is niet dat we uit elkaar gegroeid waren maar op zestien, veertien en ja, zelfs tien jaar hang je niet meer aan de rokken van je moeder. En misschien was het gewoon tijd dat ik nog eens aan de lijve ondervond hoe lichamelijk hun bestaan is – óok is, moet ik zeggen. Ze bolderen onbesuisd door het huis, ruimen niet op, hebben altijd honger, laten hun sokken slingeren en meer van die clichés, allemaal waar. Ze spelen vals met kaarten, ze slachten me af als we schaken, ze willen armworstelen op elke hoek van de tafel, ze willen winnen. Ze zijn genadeloos voor elkaar, ze lusten veel rauw, ze kijken vertederd naar de katten die zich uitstrekken en beseffen niet hoe hard ze erop lijken.
Ze gooien zich borst vooruit in de draaikolken van hun bestaan, de dagelijkse drama’s op school, vrienden met foute beharing, meisjesnamen op lichaamsdelen (en één enkele keer ‘♥ goedkope Franse hoeren’ in dikke zwarte stift, de dokter die we toevallig die dag bezochten wilde weten welke richting de zoon volgde). Thuis gaat al dat stof liggen. Het gebeurt wel dat ze zich als echte kletswijfjes overgeven aan een rondje roddelen, maar meestal zijn ze er gewoon. Niemand kan zo goed zijn als zij, alleen de katten doen het nog beter. Waar het voor hen om gaat is dat het huis er is, dat ik er ben, dat de pot Boerinneke halfvol is.
Het is waar dat ze ook liegen, uitstellen, driest en brutaal zijn, dat ze schelden, met deuren slaan, of – erger nog, deuren laten openstaan, wagenwijd zelfs! Het zíjn soms etters, ellendelingen, onuitstaanbare pasja’s met één vinger in de pot honing en de andere aan de afstandbediening. Maar het mooie is: ze oordelen niet. Als ze het huis binnensloffen, brengen ze een wolk van aanvaarding en tolerantie mee (en nee, met die codeïnesiroop zijn we allang gestopt). Het zijn kleine humanisten, leven en laten leven, chill bro, ik kan er veel van leren en dat is mooi, zo blijkt die deal van 1+3 gratis toch geen kat in een zak. Maar het allermooiste hou ik voor het laatst. Het allermooiste is dat ze ook over mij niet oordelen. Ik ben nog te vaak bezorgd over wat mensen van mij denken, maar dit trosje mannen denkt helemaal niets over mij, ik ben gewoon hun moeder. Meer woorden hoeven daar niet aan vuilgemaakt.

(Met dank aan de man die mij overspoelde met die golf van zonen, de man die vaak even onuitstaanbaar is als zijzelf maar dan ook een veel harder leven heeft dan ik: ze kijken naar hém, niet naar mij. Hij is hun voorbeeld, ik ga vrijuit, altijd. Ik ben gewoon hun moeder.)

Bewaren

Bewaren

‘Hoe is het met je boek, mama?’

In Over mijn werk on maart 3, 2017 at 5:27 pm

Mijn jongste kijkt me bezorgd aan.
‘Goed,’ zeg ik, maar hij is niet tevreden. Ik ook niet, het is vakantie en ik kan niet ongestoord werken, in de caravan is het te koud en het huis zit te vol. ‘Werk nu maar verder,’ zegt hij en hij bedoelt het dwingend, als in: werk het nu eens af! Hij gaat de tuin in, geen vriendjes op het plein vandaag net als alle andere dagen van deze vrije week, de druilerigheid bereikt een nieuw hoogtepunt en we zijn ook al weken ziek. Nooit allemaal samen, we geven de stok door, onderweg naar een eindmeet waar we eindelijk genezen de lente in kunnen gaan. Maar nu dus nog niet. A dsc_0516room of one’s own zou handig zijn nu, doe mij maar het schrijfhok van Dylan Thomas, daar zou het pas vooruitgaan, toch? Ik wil mijn boek af want volgende week beginnen de lezingen, maart is jeugdboekenmaand, maar ik heb natuurlijk niets te willen.
In de tuin zit een verdwaalde eend. Ze zit er verdwaasd bij, het lijkt even of ze gewond is. De kat maakt al omcirkelende bewegingen rond dat nieuwe speeltje op haar territorium, het lijf en de oren plat, de poten ingetrokken. De jongste test zijn zelfgemaakte boog, dodelijk efficiënt is hij maar zijn pijlen kunnen niet verwonden, ze dienen enkel om ver en hoog te vliegen. ‘Jaag de eend weg!’ roep ik door het raam naar hem, hij kijkt me vragend aan en ik knik, het mag, het moet, voor de kat ze beet heeft. Hij gaat erachteraan en roept en zwaait tot ze onwillig rechtop waggelt, tegen haar zin een paar pasjes zet – de kat sluipt dichterbij en trekt haar poten en klauwen uit – en dan log ons streepje tuin uit fladdert.
dsc09625‘Ze kon nog vliegen, zag je het?’ vraagt hij, blij dat die orde alvast hersteld is. Ik knik van achter het scherm van mijn laptop. ‘Heb je al een titel, mama?’ Zelfs dat niet. Hij zucht. ‘Doe anders: “De kronieken van Isaac”.’
Kinderen zijn lastpakken, maar vergeleken bij personages van een boek dat nog niet klaar is worden het engelen.
‘Zullen we Carcassonne spelen?’ vraagt hij. ‘Straks?’.
‘Straks!’ zeg ik. ‘Zeker!’