boeken voor kleine en grote kinderen

Chill bro

In Over mijn werk on april 21, 2017 at 8:38 am

Ik ben nu al een week of drie ziek, echt Gents als ik ben zijn mijn luchtwegen aan een soort eigen circulatieplan begonnen, het stropt nog op sommige plaatsen maar het komt goed, zeggen specialisten. Veel tijd om na te denken. Bijvoorbeeld over het feit dat ik hier algemeen als moeder beschouwd word, in huis, al zestien jaar bleek onlangs toen mijn oudste zestien werd. Zestien jaar in een rol die me nog elke dag verbaast. Ik koos een man uit de rekken en kreeg er drie gratis, altijd opletten met dergelijke praktijken. Maar ze zijn er, in sickness and in health, en dat hebben we geweten, de voorbije weken. Het was vakantie en we hingen collectief snotterend en hoestend in de zetel of rond de keukentafel, het was te koud voor de hangmat dus we deden alsof het nog winter was en kozen elk een deken, die valse lente zou ons niet liggen hebben.
Het is niet dat we uit elkaar gegroeid waren maar op zestien, veertien en ja, zelfs tien jaar hang je niet meer aan de rokken van je moeder. En misschien was het gewoon tijd dat ik nog eens aan de lijve ondervond hoe lichamelijk hun bestaan is – óok is, moet ik zeggen. Ze bolderen onbesuisd door het huis, ruimen niet op, hebben altijd honger, laten hun sokken slingeren en meer van die clichés, allemaal waar. Ze spelen vals met kaarten, ze slachten me af als we schaken, ze willen armworstelen op elke hoek van de tafel, ze willen winnen. Ze zijn genadeloos voor elkaar, ze lusten veel rauw, ze kijken vertederd naar de katten die zich uitstrekken en beseffen niet hoe hard ze erop lijken.
Ze gooien zich borst vooruit in de draaikolken van hun bestaan, de dagelijkse drama’s op school, vrienden met foute beharing, meisjesnamen op lichaamsdelen (en één enkele keer ‘♥ goedkope Franse hoeren’ in dikke zwarte stift, de dokter die we toevallig die dag bezochten wilde weten welke richting de zoon volgde). Thuis gaat al dat stof liggen. Het gebeurt wel dat ze zich als echte kletswijfjes overgeven aan een rondje roddelen, maar meestal zijn ze er gewoon. Niemand kan zo goed zijn als zij, alleen de katten doen het nog beter. Waar het voor hen om gaat is dat het huis er is, dat ik er ben, dat de pot Boerinneke halfvol is.
Het is waar dat ze ook liegen, uitstellen, driest en brutaal zijn, dat ze schelden, met deuren slaan, of – erger nog, deuren laten openstaan, wagenwijd zelfs! Het zíjn soms etters, ellendelingen, onuitstaanbare pasja’s met één vinger in de pot honing en de andere aan de afstandbediening. Maar het mooie is: ze oordelen niet. Als ze het huis binnensloffen, brengen ze een wolk van aanvaarding en tolerantie mee (en nee, met die codeïnesiroop zijn we allang gestopt). Het zijn kleine humanisten, leven en laten leven, chill bro, ik kan er veel van leren en dat is mooi, zo blijkt die deal van 1+3 gratis toch geen kat in een zak. Maar het allermooiste hou ik voor het laatst. Het allermooiste is dat ze ook over mij niet oordelen. Ik ben nog te vaak bezorgd over wat mensen van mij denken, maar dit trosje mannen denkt helemaal niets over mij, ik ben gewoon hun moeder. Meer woorden hoeven daar niet aan vuilgemaakt.

(Met dank aan de man die mij overspoelde met die golf van zonen, de man die vaak even onuitstaanbaar is als zijzelf maar dan ook een veel harder leven heeft dan ik: ze kijken naar hém, niet naar mij. Hij is hun voorbeeld, ik ga vrijuit, altijd. Ik ben gewoon hun moeder.)

Bewaren

Bewaren

Verliefd in Nevele

In Auteurslezingen on maart 24, 2017 at 7:55 am

Het is jeugdboekenmaand en dat wil sinds een paar jaar zeggen dat ik als een soort voorgeprogrammeerde ‘Evelien De Vlieger’ ons vlakke land af reis, naar plaatsen als Zulte, Vichte, Slijpe of Asse, om kinderen van alle leeftijden de fontein van woord en beeld in te gooien, of toch op zijn minst een duwtje in de rug te geven (onderhouden mag niet!). Ik heb als kind nooit een jeugdauteur over de klasvloer gehad dus kan me niets inbeelden bij de verhalen van sommige collega’s die de eerste schrijfscheuten voelden ontkiemen bij zo’n bezoek van een schrijvende volwassene. Ik was een verlegen kind dat plaatsvervangend rood werd toen mijn vriendin voor de hele klas zei dat ze graag boeken over verliefdheid las – over boeken lezen werd dus blijkbaar wel gesproken in de klas. Zoveel lef had ik niet, ook al begreep ik perfect wat ze bedoelde, maar zij kwam dan ook uit een vooruitstrevender gezin dan ik. Haar moeder was een uitgesproken feministe, ze woonden in een groot huis met krakende houten vloeren en aten soep zonder zout in – iets wat ik lang geassocieerd heb met feminisme. Maar vooral: ze durfden openlijk te zeggen waar het op stond. Ik niet, ik moest het hebben van mijn schattigheid, maar een schattige schijtluis blijft een schijtluis. Ik durfde nergens over te praten. En kijk mij nu, ik sta voor grote groepen kinderen te praten alsof het niets is, het thema van deze jeugdboekenmaand is M/V/X (je bent wie je bent), dus ik praat ook altijd even over wat jongens anders maakt dan meisjes, over vechten en rustig zijn, over wilde uurtjes en momenten dat je je inkapselt in jezelf.

We praten ook altijd over verliefdheid (daar gaat mijn boek ‘Hoe maak ik het aan’ over), want dat durf ik ondertussen – toch als de anderen vertellen. En ik sta vaak versteld van hoe open en gretig sommige kinderen daarover praten in een grote groep. Gisterochtend vroeg ik aan de prachtkinderen van Nevele of ze al eens verliefd waren geworden op iemand van hetzelfde geslacht. Eerst klonk er veel gegiechel en was er zelfs ongeloof in sommige ogen. Toen zei een meisje op de eerste rij: ‘ik ben vorig jaar van vriendschap verliefd geworden op mijn vriendin, zo leuk vond ik haar’, ze maakte er een gebaar bij alsof ze het ook niet kon helpen. Iedereen vond het aannemelijk, niemand lachte haar uit. Een ander meisje was eens verliefd geworden op iemands voeten. ‘Dat waren vast geen zweetvoeten,’ zei ik en meteen had ik spijt want het meisje keek nog altijd verliefd als ze aan die voeten dacht.

Als de tongen eenmaal losgekomen zijn gaat het over kinderen van acht jaar die al drie jaar een koppeltje zijn – opletten voor de seven-year itch! –, over het helemaal tegelijkertijd aanvragen met elkaar, over flauwvallen van te veel te voelen. Ik kom van alles te weten, soms zelfs over de juffen, ook al in Nevele zat er een juf in de zaal die zo leek weggestapt uit Matilda van Roald Dahl – als juffrouw Engel, niet als de Bulstronk – tot een van haar leerlingen riep dat de juf een vogelspin als huisdier had.

Ik vraag ook altijd of iemand al eens verliefd is geweest zonder dat ze het durfden te zeggen en er gingen zoals altijd heel voorzichtig enkele vingers de lucht in – bijna onzichtbaar voor de anderen. Uiteraard vraag ik niet door, ik vind ze zo al moedig genoeg. Maar de echte schuchteren zijn er ook, en die steken geen vinger op, al zijn ze misschien op dat eigenste moment smoorverliefd op het klasgenootje dat naast hen zit. Ik probeer hen duidelijk te maken dat ik ook heel verlegen was en alleen zij horen het, want ik zeg het niet hardop. Zoals ook wildvreemde roodharigen soms naar elkaar knikken op straat, zo herkennen verlegen mensen de signalen bij elkaar. Ik ga hier niet uitleggen welke, misschien schrijf ik er eens een boek over. Maar eerst dat langverwachte boek over Gehaktman (zijn leven staat op het spel, er worden al messen geslepen, er kunnen ook gehaktballen in meedoen), want daar zullen alle kinderen van smullen, schat ik, een zot boek voor de schroomvalligen en de schreeuwers, de vrolijken en de bedachtzamen, voor de jongens en de meisjes en iedereen daartussen.

Bewaren

‘Hoe is het met je boek, mama?’

In Over mijn werk on maart 3, 2017 at 5:27 pm

Mijn jongste kijkt me bezorgd aan.
‘Goed,’ zeg ik, maar hij is niet tevreden. Ik ook niet, het is vakantie en ik kan niet ongestoord werken, in de caravan is het te koud en het huis zit te vol. ‘Werk nu maar verder,’ zegt hij en hij bedoelt het dwingend, als in: werk het nu eens af! Hij gaat de tuin in, geen vriendjes op het plein vandaag net als alle andere dagen van deze vrije week, de druilerigheid bereikt een nieuw hoogtepunt en we zijn ook al weken ziek. Nooit allemaal samen, we geven de stok door, onderweg naar een eindmeet waar we eindelijk genezen de lente in kunnen gaan. Maar nu dus nog niet. A dsc_0516room of one’s own zou handig zijn nu, doe mij maar het schrijfhok van Dylan Thomas, daar zou het pas vooruitgaan, toch? Ik wil mijn boek af want volgende week beginnen de lezingen, maart is jeugdboekenmaand, maar ik heb natuurlijk niets te willen.
In de tuin zit een verdwaalde eend. Ze zit er verdwaasd bij, het lijkt even of ze gewond is. De kat maakt al omcirkelende bewegingen rond dat nieuwe speeltje op haar territorium, het lijf en de oren plat, de poten ingetrokken. De jongste test zijn zelfgemaakte boog, dodelijk efficiënt is hij maar zijn pijlen kunnen niet verwonden, ze dienen enkel om ver en hoog te vliegen. ‘Jaag de eend weg!’ roep ik door het raam naar hem, hij kijkt me vragend aan en ik knik, het mag, het moet, voor de kat ze beet heeft. Hij gaat erachteraan en roept en zwaait tot ze onwillig rechtop waggelt, tegen haar zin een paar pasjes zet – de kat sluipt dichterbij en trekt haar poten en klauwen uit – en dan log ons streepje tuin uit fladdert.
dsc09625‘Ze kon nog vliegen, zag je het?’ vraagt hij, blij dat die orde alvast hersteld is. Ik knik van achter het scherm van mijn laptop. ‘Heb je al een titel, mama?’ Zelfs dat niet. Hij zucht. ‘Doe anders: “De kronieken van Isaac”.’
Kinderen zijn lastpakken, maar vergeleken bij personages van een boek dat nog niet klaar is worden het engelen.
‘Zullen we Carcassonne spelen?’ vraagt hij. ‘Straks?’.
‘Straks!’ zeg ik. ‘Zeker!’