Zeezichtcomposities

Ik verblijf een week aan zee om te schrijven en te genezen van een hardnekkige sinusitis. Dat laatste lukt aardig dankzij krachtige medicijnen en verse zeelucht. ‘Het is een geworstel,’ stuur ik naar een bevriende schrijfster die vraagt hoe het schrijven gaat, ‘ik krijg maar geen vat op de tekst.’ ‘Vat is overschat,’ zegt ze – gevat. Het is lief van haar, maar helaas niet waar. Uiteraard moet ik vat krijgen, ik schaaf halsstarrig door, tot de tijd hier op is. Als de woorden me boven het hoofd groeien ga ik wandelen langs het enorm brede strand. Ik waad door twee waterstroken waar allerlei zeedieren liggen te zieltogen en red één zeesterretje dat met haar vijf armpjes naar mij ligt te wuiven. Daarna probeer ik niet meer naar de grond te kijken want ze zijn met te veel, ik kan ze onmogelijk allemaal redden. Het talrijkst zijn de scheermessen, de meeste lijken leeg maar aan het verlekkerde gehup van de meeuwen en kraaien te zien zijn er genoeg waar nog een mals lijfje in zit. Bijna alle krabben liggen op hun rug.      

 

 

 

 

 

 

 

In de vloedlijn is het uitkijken voor het groenbruine schuim van de branding. Het laat Rorschachpatronen achter op het zand, maar ik ben hier niet om wat voor gevoelens ook te projecteren op schuimvlekken – dat is voor achter mijn computer. Iets wat op een tak lijkt blijkt van dichtbij een streng touw waar zeedieren in verstrikt geraakt zijn, dood en levend, wat verderop ligt nog zo’n schelpencompositie, het lijken uitgegooide knutselwerkjes van de kleuterklas van Atlantis. Eén grote oranjeroze zeester steelt de show te midden van al dat grijs en bruin, als een onderwaterbarbapapa ligt ze te wachten tot het tij opkomt – nog even en het is zover.
Ik maak een praatje met een visser die zich klaarmaakt voor de opkomende zee, voor hem in het zand wijst zijn reusachtige vislijn dreigend naar het water en achter hem staat een enorme koelbox op wieltjes. De man is een inwijkeling uit La Louvière en heeft maar één boventand meer – vreemd genoeg pal in het midden van zijn mond – maar vis eten lukt zo ook wel. Hij vangt pladijzen en wijting, zegt hij. Vorig jaar zelfs een pladijs van 7 kg. Maar het weer beloofde niet veel goeds, vandaag. Als ik vraag hoe lang hij het vissen volhoudt, zegt hij dat het varieert. Drie, vier, vijf, zes, tot zelfs zeven uur staat hij met zijn lieslaarzen in zee. Hij tuurt naar de einder en ik wil hem vragen of hij deze ochtend ook vuurgolven aan de horizon zag, alsof de zee in brand stond. Maar ik wens hem gewoon een goede vangst en loop terug naar de dijk.
Binnen wacht de cursor ongeduldig knipperend op mijn scherm. Veel grilliger dan wat ik in de vloedlijn zag is mijn tekst niet. Het gaat erom een compositie te maken met de aangespoelde zinnen in grijs, groen en bruin. Al te rozige zinnen gooi ik terug. Hoe lang ik daarvoor nodig heb, zie ik nog wel. Ik heb gelukkig zicht op de ingeweken visser in zijn fluojekker, die mij met beheerste bewegingen laat zien hoe het moet.

4 reacties op ‘Zeezichtcomposities

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s