Over de rooie

Onze kat ving een roodborstje. Het fladderde nog op en belandde dan weer onder de poot van Boris, angstig piepend. Er lagen kleine veertjes op het ronde, groene tapijt waar de katten hun prooi steevast naartoe brengen, alsof we het er speciaal voor dat doel legden. Boris is eigenlijk een kattin maar dat kwamen we pas te weten toen zijn/haar naam al te lang in gebruik was. Hij is schattig maar ongenaakbaar, een verwarrende combinatie, onze andere kat is hooghartig en ongenaakbaar.
We stopten het roodborstje in een kooi, lieten het een paar uur bekomen. Daarna voelden we ons zelf belemmerd, we keken naar het opvliegende diertje dat nergens meer heen kon en besloten dat het tijd was om het los te laten. Maar niet in de tuin! Op het grasveld moest het gebeuren, volgens mijn jongste, daar waar nooit katten komen. We gingen al in de houding staan om het uit te wuiven, maar het roodborstje vloog niet weg. Het hupte elegant maar snel in de richting van het struikgewas, en wij staarden het na, luisterden naar het geritsel van takjes en dorre bladeren, daarna naar de stilte.
We keken elkaar in de ogen, verbouwereerd over hoe snel kleine vogeltjes kunnen zijn, en beschaamd over onze eigen lompe traagheid. ‘Nu zijn er twee mogelijke toekomsten voor hem,’ zei mijn zoon. ‘Of hij leert zichzelf vliegen en vindt zijn nest terug. Of hij gaat dood.’ Die nuchterheid heeft hij niet van mij.
Ik leerde hem elf jaar geleden kennen, dat stugge buitenkind, ‘de roste zwerver’, zoals zijn oudere broers hem noemen. Gisteren stond hij vroeger op om een ontbijt te maken voor mij. Geen frivoliteiten of versieringen, gewoon de essentie: een zachtgekookt ei, vers geperst sap, brood, koffie. Losjes daarover gegooid om het ei warm te houden: twee keukenhanddoeken en zijn hart van koekenbrood. Ik schrijf dit op de bus naar huis, het is exact 11u11 zie ik op het ontwaardingsapparaat van De Lijn, de zigeuner die op de bank voor me zit eet gebraden kip los uit de zak tot er een indrukwekkende roedel Lijnwachters opstapt en hij van de bus wordt gegooid. Hij lacht een tandeloos lachje dat in vrolijk contrast staat tot de Lijnwachters die permanent over de rooie lijken te gaan met hun verkrampte gezichten.
Mijn elfjarige wordt groot, ja, maar het duurt toch nog even voor hij het nest verlaat. ‘Zou het roodborstje nog leven?’ vroeg ik hem deze ochtend en hij zei diplomatisch: ‘Dat kan, mama.’ Hij haatte het om naar school te gaan, zei hij nog, had dictee over woorden op i maar dat was het niet, het was al het andere. Ik vroeg niet verder, zei gewoon: ‘School is goed voor je,’ en nu, een paar uur later op de bus meen ik die woorden pas echt en vurig.
Als hij maar geen Lijnwachter wordt. Alles liever dan dat.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s