Over wieren, Wiener en de nood aan een indringend leven

Mijn lief heeft een maatschappelijk aanvaarde afwijking genaamd boeken hamsteren. Het ontaardt stilaan, maar wat doet dat niet in deze fase – kinderen van de ene dag op de andere groot, woesj, je mag dan hun haren knippen maar sterk en eeuwig groeiend blijven ze, ze duwen je langzaam naar de rand van het nest tot ze er zelf uitvallen. De boeken in dat nest zijn minder voortvarend, ze aanvaarden hun lot, niet gelezen worden is de norm in een huis waar er misschien wel achtduizend concurrenten zijn. Maar niet gelezen worden is niet erg, want op een dag word je toch gelezen. De boeken gaan niet tot spontane zelfontbranding over, ze wachten op de hand die hen eruitpikt en hun eerste bladzijde leest.

Vanochtend nog nam ik een boek vast over wieren, geschreven door Miek Zwamborst. De titel luidt: ‘Wieren’. Op de achterflap lees ik dat wieren de grootste zuurstofproducenten op aarde zijn – alle verborgen levens van bomen ten spijt. Dat prikkelt al, ik ben op mijn zuurstof gesteld en heb me uiteraard aangemeld voor de stikstofmeting ter hoogte van onze eerste verdieping. We hebben wel luie katten en overijverige kippen maar geen wieren – of wacht, wieren zijn planten, ik moet dringend verderlezen. Op de eerste pagina gaat het van ‘De ebstroom had het loof wijd opengelegd,’ en ‘Ik knielde neer en liet mijn vingers over de strengen gaan’: wie heeft nog gedichten nodig als het ook informatief over wieren aaien kan gaan? Even verderop staat ‘Ik was met een zeewier aan land gegaan’: een mooiere beginzin voor een roman kan ik niet zo gauw bedenken. Ik weet niet of ik het boek ooit uit krijg maar ik weet het te vinden voor als ik het nodig heb. Of ik weet het dan net niet te vinden, natuurlijk, die kans is wel groter. Maar wat zou het, ik lig hier ondertussen toch maar mooi met een stapeltje L.H. Wiener, boeken die ook zomaar in de kast bleken te staan. Wat Wiener dit weekend in een interview in De Standaard allemaal zei, was zo verfrissend fout dat ik al fan ben nog voor ik een eerste letter van hem las. Om in hetzelfde thema te blijven kies ik er ‘In zee gaat niets verloren’ uit, het omslag spreekt me aan en in de korte proloog lees ik over een jongetje – de kleine L.H. Wiener dus – dat op de buik van zijn vader ligt, drijvend op de zee, het jongetje is eigenlijk bang en wil terug naar het strand maar hij zegt niets omdat hij aan de ogen van zijn vader ziet dat hij op dat moment gelukkig is. Kinderen hebben er wat voor over om hun ouders gelukkig te zien, dat idee is me niet vreemd.

Mijn eigen ouders (voor ze samen kinderen hadden)

Het trekt me in het boek alsof ik een lepel ansjovispasta at, het zout verspreidt zich langzaam en doet bijna pijn, maar ik voel nog niet de behoefte om mijn mond te spoelen. Onze kinderen zien ons ook het liefste gelukkig. Vooral de middelste van vijftien heeft er oog voor, hij kan aandoenlijk blij worden als wij blij zijn, een van ons is genoeg, hij is ook realistisch, godzijdank. Dat is niet eens onze verdienste, alles zit al in ons, zoals Stephen Fry zo mooi bij Adriaan Van Dis uitlegt: nature wint het ruimschoots van nurture (klikken op de link en kijken!).
Om die theorie te staven: die middelste zoon vindt niets een grotere kwelling dan het begin van een nieuw boek, de traagheid, alles wat je nog niet weet, het maakt hem zo opstandig dat hij na zo’n eerste blad van goedgekozen zinnen de muren op kan lopen. Hij doet maar. Ik heb er geen vat op, en ik heb het te druk met lezen. Gisteravond nog in een ander hier recent binnengesmokkeld boek: Katie Roiphes ‘Lof van het rommelige leven’. Ik ben nog maar twintig bladzijden ver en het gaat voorlopig over haar echtscheiding en toch is het herkenbaar: ‘Het is een van de heel weinige keren dat je als volwassene de kans krijgt jezelf opnieuw uit te vinden. In het heftige nihilisme dat volgt op het verlies van iemand, diep in het gevoel dat je er kapot van bent, ligt een besef van verbijsterende openheid, van eindeloze mogelijkheden.’ Een mens zou voor minder een scheiding overwegen. Maar dat is het prettige aan een lief met een afwijking: die speelt het spel mee dat er elke dag wel eens gescheiden wordt. Aan dat kleine ongeluk hebben we genoeg om onszelf nu en dan heruit te vinden. Een nieuwe job, een nieuw boek, en in de tuin een vijvertje vol wieren.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s