Vlijtig door de Jeugdboekenmaand

Het is een maandag in maart, jeugdboekenmaand. Ik zit alleen aan een tafeltje in een taverne in Sint-Jan-in-Eremo. Tegenover me een tafel met een man en een vrouw op hun paasbest, ze bestellen allebei een exotisch aperitief: Blue Curaçao. Ik heb al één lezing gegeven en heb anderhalf uur om iets te eten, de man en de vrouw klinken maar zeggen geen woord. Ik ook niet, want ik zit alleen aan mijn vierkante tafeltje, ik moet wel mijmeren en ondertussen kan ik in de vlammen van een flatscreenhaardvuur staren. De ober is vriendelijk maar heeft iets wanhopigs in zijn blik, misschien wil hij het koppel ook liever zien praten, de Blue Curaçao is groen ondertussen en de vrouw scrollt door de berichten op haar smartphone alsof er een klein onzichtbaar zoogdiertje mee aan tafel ligt dat ze moét aaien. De eerste lezing ging door in Sint-Laureins en door wegenwerken op weg ernaartoe reed ik plots de grens over – dat is daar zo gebeurd – ik moest 40 km/u rijden op een oneindig lange dijk. Ik voelde de verleiding om gewoon te stoppen en uit te stappen, me in de graskant op te stellen tussen de pas geknotte wilgen die er ondanks hun ouderdom toch weer jong uitzagen, niet naar de bibliotheek te gaan, het sap te voelen stromen, de tijd en de eindigheid te bedotten. Maar parkeren was er niet toegelaten dus ik reed door, kwam bij een brug waar ik de dijk en de eeuwige puberwilgen kon verlaten, vond de bibliotheek en sprak er over Job en de balorige duif tegen een groep kinderen van het eerste leerjaar. Het koppel bestelt een fles witte wijn, mijn schriftje ligt naast me maar ik noteer niets.

Ik probeer niet te denken aan Maalstroom van Sigrid Rausing, een boek waarin ik halverwege stopte met lezen omdat het mijn eigen herinneringen zo zwaar dooreenschudde dat ik al een keer schokkend van het lachen wakker schoot. Het kan ook liggen aan het blik foto’s dat mijn ouders vorige week meebrachten, vol kiekjes die we niet vaak zagen, als het beeldverslag van een dubbelleven dat we óók leidden, ons haar ligt net iets anders, zo zien we eruit als we even niet opletten.

Er zitten ook foto’s van mij als kind in, ik zit in een rieten stoel te schrijven, ‘een vlijtig kind’, stond altijd op mijn rapport, ik heb dat woord al in geen jaren meer gehoord maar dat zal aan mijn eigen kinderen liggen. Ik overweeg nu echt om bij de man en de vrouw te gaan zitten en zelf het gesprek op gang te trekken. Hun wit wijntje heeft een vlotte afdronk, zie ik. Ik brand mijn tong aan de koffie en hoor buiten meesjes fluiten, de lente trekt langs de dijken en ik zit hier voor nepvlammen, het wordt tijd voor wat tastbaarheden: een paaseitje op mijn tong en mijn volgende lezing in het zaaltje tegenover de taverne. Het kan nog altijd dat de man en de vrouw bij het hoofdgerecht plots prachtige woorden vinden voor elkaar, denk ik als ik de straat oversteek. Het is uitkijken voor overstekende padden in maart, al zag ik er nog nooit. Misschien had ik er wel gezien als ik aan die dijk was gebleven. Maar er komen straks vijfenveertig zesjarigen naar me luisteren, ze kunnen al lezen en schrijven en anders dan de padden zijn ze altijd op tijd, ik zie ze al in de verte, een rij gele fluohesjes als een exotische stoet. Ik ga vlijtig mijn boeken uitstallen op het podium en heet ze hartelijk welkom. Morgen naar Liedekerke. Woensdag Gullegem.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s