boeken voor kleine en grote kinderen

Back to Bournemouth (5)

In Over mijn werk on december 14, 2016 at 9:51 am

Bij Sue krijg ik een kop thee, ik maak kennis met haar twee katten en vraag haar wat haar man vond van het feit dat ze zomaar iemand van de straat had geplukt. ‘Ach, zijn leven is toch veel te saai,’ zegt ze en ze vraagt of ik vanavond mee eet. Ik ga naar mijn zolderkamertje en klap mijn computer open. Het middaglicht schijnt fel naar binnen door het dakvenster, ik heb mijn leesbril aan, mijn manuscript ligt op schoot, zit geconcentreerd te lezen en schrik me een hoedje als ik een glimp van mezelf opvang in de langwerpige spiegel tegen de muur. Wie is die oude vrouw? In mijn hoofd ben ik achttien, dat moet wel als ik me wil inleven in mijn hoofdpersonage. Ga toch weg, mens, zeg ik, en laat mij werken, je ziet toch dat je in de weg zit.

ad2ed0a624b37c1a55b3f2f2939f9b13’s Avonds eet ik met Sue en haar man, ze maakte een rundsstoofpotje en bereidt de dumplings voor erbij terwijl ik toekijk, eerst kneden en dan laten rijzen in de vleessaus. Meestal heb ik het niet voor degige etenswaren maar deze dumplings hebben al een leuke naam en misschien daarom dat ik ze ook kan smaken. Sue’s nuchtere man is best sympathiek maar houdt het na de maaltijd voor bekeken en nestelt zich op de zetel tussen de langharige beauty en de grijsgestreepte straatkat in. Sue en ik praten over de waanzin van een boek in je hoofd, het immense werk om het er op de juiste manier uit te krijgen, over hoe dat te overleven, ook financieel. Zij is opgetogen over het feit dat er een echte schrijfster in haar huis logeert (ik, jaha), en ik ben overtuigd dat ik bij een beroemdheid in spe logeer, it’s all in the mind, natuurlijk, dat is het mooie. Ik slaap op de kamer van haar zoon, een muzikant, aan de muur hangt een poster waar ‘Make art, not war’ op staat, ik haal opgelucht adem dat het ‘art’ is en geen ‘love’.

De volgende ochtend heeft Sue havermoutpannenkoekjes met appel en kaneel voor me gebakken en ik krijg er een spinaziesmoothie bij. We spreken ’s avonds af, vandaag wil ik alles uit Bournemouth halen, ook uit de buurt waar mijn boek zich afspeelt want daar woon ik nu tenslotte – hoe kortstondig ook. Maar voor ik het goed besef zit ik in de pub op de hoek. Mijn koffiedrang speelt op. Er staat een bord dat brownies aanprijst maar die zijn al op, zegt de dienster. Ik vraag me af wie die opat want werkelijk iedereen drinkt bier, en bier met brownies, dat is als glühwein met oesters, om maar één vergelijking te maken. Het is een vreemd zicht, zaterdag 10u30, de pub zit halfvol, en man, vrouw, jong, oud, sportief of uitgezakt: allemaal bestellen ze a large pint. ’s Avonds vertel ik dat aan Sue en haar man en ze lachen me uit, je gaat toch niet de pub in voor een koffie, zeggen ze, daar zijn coffeehouses voor. Kan best, maar ik hoef geen lungo of latte macchiato, ik wil gewoon een koffie en in een pub begrijpen ze dat meteen. Ik hou van de sfeer, de versleten tapijten, de vijftig tinten bruin tegen de muur, de gezellige nisjes. Als ik niet uitkijk bestel ik ook een pint. Maar geen grote! Ik hou het toch maar bij koffie en als mijn kopje bijna leeg is zit ik al in mijn eerste pub fight, of toch bijna. Een groep meisjes stormt binnen en de dienster snelt ze ter hulp, ze houdt de deur dicht voor een robuuste jongen die kwaad met een gsm staat te zwaaien, cybergeweld maar dan live. Het loopt gelukkig niet uit de hand maar dat niemand van zoiets opkijkt zegt alles, Sue bevestigt dat later ook: ach, een pub fight, heel gewoon is dat, al vindt ze het er ook wel vroeg op de dag voor.

15356055_10210156781491311_973282846_nIk vertrek te voet, eerst door de wijken en dan door de stad, naar het strand, op de pier, bij de KFC, in de winkelstraten, voorbij de minigolf, het rugbyterrein, koffie hier, broodje daar, een paar bankjes in het park. De wereld kwam buiten, vandaag, het is een mooie zaterdag en alle gezinnen willen de zon in, er staat een koude wind maar dat deert niet, opwarmen doen we met frieten van het kraam – vet verenigt alle culturen – ik weet niet waar eerst te kijken en zie uiteindelijk niets meer. Ik ga op het strand zitten en probeer de dingen op een rijtje te zetten, ik ben hier voor mijn boek, waar blijven mijn personages? Ik hoor heel veel talen maar de kinderen in de branding kirren allemaal gelijk, of ja, kirren, het is meer het geluid dat je maakt als je voeten bevriezen, vergis je niet in die Engelse riviera. Ik zie gesluierde vrouwen die achter hun kleine prinsjes aan hollen op de dijk, jonge meisjes met blauw haar, roze, paars, pastelgroen haar, niet in één tros maar her en der opduikend als nieuwe stadsflora, tienermoeders die met hun ene hand hun kind frietjes voeren en met hun andere hand hun gsm aaien, gescheiden vaders die hun parttimekind meekregen met een minirugzakje aangebonden, een stel Britse pubers met gezichten bleek als het zand, een groot Pakistaans gezin met kinderen op hun glimmende paasbest voor de foto poserend onder een uitheemse boom in het park, Deliveroo-jongens op het lelijkste pleintje van Bournemouth die werkloos een honkbal naar elkaar gooien tot er iemand honger krijgt en ze moeten uitrukken, twee Russische koppeltjes die high lijken, de jongens donker en kort van bewegingen, de meisjes langharig blond en op hun hoede, ze drinken latte in coffeebar Flirt op een rij cinemastoeltjes die de haren van de meisjes uitrukken, een man die als een vrouw gekleed voorbijloopt maar verraden wordt door de diepe groeven in zijn, haar gezicht, een Zwitserse die op dat zangerige toontje uitlegt dat Duits geen Zwitsers is – als ze straks gaat jodelen, doe ik mee.

Van al die kleuren op straat ga ik me klein en kleurloos voelen. Op papier is het anders, ik las bijvoorbeeld in Teju Coles ‘Open stad’ dat de Nigerianen zichzelf de Japanners van Afrika noemen, maar dan zonder het technologische vernuft – ik moet dan wel opzoeken waar Nigeria nua35beb4884b55130120fe1a22a19031a ook weer ligt in dat Afrikaanse continent, maar ik kan de humor wel smaken. Er zit iemand tussen die het allemaal bevattelijk maakt, een schrijver. Wie kan bereiken dat mijn wereldvreemdheid in het niets oplost, zou ik zelfs eerder een tovenaar noemen. Teju Cole is dat. Patti Smith ook. En mijn jongste zoon, met wie ik elke avond voor het voorlezen de bladwijzer (een post-it) op een stad op de wereldkaart kleef. Elk om de beurt kiezen we, gisteravond was het Vorkoeta, zijn keuze, zoek maar op.

15356055_10210156781491311_973282846_nBij acute ontheemding helpt er maar één ding. Nee, niet de pub. Ik zoek de bibliotheek en vind ze verrassend snel, als de deur achter me dichtschuift slaak ik de spreekwoordelijke zucht van verlichting. Ah, bibliotheken, oorden van rust, rede en radeloosheid. Bij het cd-rek staat een zwerver die de geur van een bouillonblokje, ik loop door naar de verste uithoek, neem plaats bij het raam, de zon schijnt binnen, ik denk dat ik mijn hoofd maar gewoon op tafel ga leggen tot sluitingstijd.

15554798_10210260413922057_889695174_nMaar dan valt mijn oog op ‘Bournemouth Archives’, grote archiefboeken op metalen rekken, één per jaar. Ik trek er 1970 uit en begin te bladeren, ouderwetse krantenknipsels, iemand heeft gedurende dat jaar de schaar in de krant gezet en artikels in een boek geplakt, de traagheid ervan is een verademing, de willekeur ook, stukken van de meest uiteenlopende strekking kleven broederlijk naast elkaar gewoon omdat iemand ze belangrijk vond. Ik bots zowaar op twee stukken over de au pairs van Bournemouth! Misschien zijn er zoveel au pairs in de stad omdat er veel talenscholen zijn? Van de vijftig Duitse meisjes waarover sprake in het artikel is er slechts één zwanger geraakt, dat wordt een succes genoemd. De grootste problemen zijn koude zolderkamers en al te glijdende en uitdijende werkuren. Het is niet dat ik deze informatie nodig heb, maar het geeft me wel een nieuwe adem. En dat is nodig ook, want ik moet nog terug bij Sue geraken. Het is bergop en ik ken de weg niet, een gevaarlijke combinatie met mijn gevoel voor oriëntatie. Dus ja, ik loop verloren, lang doe ik daar niet over. Op die manier kom ik wel voorbij het gezelligste rusthuis dat ik ooit zag, een oude villa waar het net etenstijd is, ik moet me inhouden of ik schuif mee aan. Ik blijf er even naar kijken van aan de overkant van de straat, het lijkt wel een luchtspiegeling tussen de donkere dennen. De eetkamer is aangekleed als in een echt huis, met schilderijen aan de muur, lampenkappen, tafelkleedjes met bloemenprint, er staan planten voor de ramen. Het personeel herken je niet aan het klinische wit van hun kledij, maar omdat ze te jong zijn en te rechtop lopen om er te wonen. Is dit de plek waar Amélie Poulain haar oude dag slijt? Ik overweeg even om er een foto van te nemen maar hou me net op tijd in.e56cd8563ed8b5d87be2f8da1613b3e8

Het laatste stuk is vervelend, er loopt niemand op straat om de weg aan te vragen, ik zie wel een paar eekhoorns – ‘rats with good PR’ noemt Sue ze, Bournemouth stikt ervan – maar die doen ook alsof ze nergens van weten. Groot is mijn opluchting als ik eindelijk het kerkhof zie en tegen zessen kom ik bij Sue aan.

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: