boeken voor kleine en grote kinderen

Archive for december, 2016|Monthly archive page

Back to Bournemouth (9)

In Over mijn werk on december 23, 2016 at 10:03 am

Toen ik gisteren langs de Schelde ging lopen, zag ik een klein dik havikje op een verkeersbord zitten. Ik ken niets van vogels, en weet dus niet of hier haviken leven en of er eigenlijk wel kleine haviksoorten zijn, maar wie behalve ik heeft die vogel gezien? Ik kan hem noemen zoals ik wil. Het havikje bleef zitten toen ik dichterbij kwam. Ook toen ik heel dichtbij kwam, ondertussen niet meer joggend maar schuifelend om hem niet te verstoren. Dat was moeite voor niets: hij was onverstoorbaar.
8c09481da67f3e0c8340ce28f705deff‘Schrijfstertje,’ zei hij. ‘Wordt het niet eens tijd om terug naar huis te gaan?’
‘Ik ben thuis!’ zei ik. Ik weet wel zeker dat er geen pratende vogels bestaan maar als iemand me streng toespreekt antwoord ik, ik kan het niet helpen.
‘Ja, thuis,’ zei het havikje met de kop in de lucht, een hele dikke nek had hij, van veren. ‘Je blijft maar reizen, daar over de plas, heb je geen boek af te werken?’
Het lef van die vogels! ‘Ja, dat heb ik. Maar…’
‘We zijn het eens,’ zei hij. ‘Loop nu maar verder.’
Het erge was, hij vloog niet eens op. Hij bleef zitten op zijn onnozel plakkaat, alsof hij nog iemand belangrijkers verwachtte. Natuurlijk hebben pratende dieren altijd gelijk, en zeker kleine havikjes met een grote bek. Ik liep mijn rondje in recordtijd en nu is het zaak snel dit laatste reisverslag af te werken, misschien heeft hij wel ergens een hele grote nonkel zitten. (Mijn kinderen rollen met hun ogen als ik het hen vertel, een havik, mama, het was waarschijnlijk gewoon een kiekendief of zo. Cheeky bastards.)
Er valt gelukkig niet zo heel veel meer te zeggen. Ik ontbeet een laatste keer op z’n Engels met de andere loner aan het tafeltje tegenover me en Adam vertelde ons nog wat sterke verhalen (hij is nu fervent motorrijder, schoot me te binnen! Nog niets over de vinger echter…). Daarna begon ik aan mijn reis richting Chunnel.

Ik stopte in Hastings, waar ik een vreemde pubervaring had. Pub-ervaring dus. High Street in Hastings is een straat met alleen maar veel te dure tweedehandswinkels en hippe coffeebars en ook één ouderwetse pub waar niemand zat. Ik koos voor de pub – hij ging net open, bestelde een koffie. Ik zat er alleen maar kon me de hele tijd niet van de indruk ontdoen dat er nog iemand was, ik zag niet waar maar ik vond het geruststellend dat ik er niet alleen zat.
De dienster had een mooi bloesje aan in oudroze, ik vroeg me af of ik zelf niet iets gelijkaardigs had liggen ergens in de archeologische grondlaag van mijn kleerkast. Ze was heel vriendelijk, ook tegen een gestrande reiziger op zoek naar een glas rode wijn in de ochtend, alles met de glimlach, zelfs toen een zwerver op een stoel bij de deur plaatsnam en zijn schoenen uitdeed, op zijn kousen in de toiletten verdween, terug aan het tafeltje zijn schoenen weer aantrok en daarna zijn hoofd op het tafelblad legde. Ik zat er ondertussen dus niet meer alleen, en dan pas zag ik wie de ander van daarnet was geweest: er hing een spiegel ergens schuin tegen het plafond van een nis waarin ik mezelf kon zien. Ik had mezelf gerustgesteld met mijn eigen aanwezigheid, mijn kleine bewegingen aan het tafeltje.
En gisteravond las ik dit in Teju Coles ‘Open Stad’: ‘… de plotselinge verwarring en gelukzaligheid van iemand in een statig oud huis met in de verte een spiegelwand, en de onmiskenbare aanblik van een wereld die zich verdubbelt. Ik kon nog onmogelijk zien waar het tastbare universum eindigde en de weerspiegeling begon. Deze navolging tot in de details van elke porseleinen vaas, elke dofglanzende plek op elke gevlekte teakhouten stoel, strekte zich uit tot aan de plek waar mijn spiegelbeeldige ik half omgedraaid was blijven staan, net als ik. En mijn dubbelganger begon precies op dat moment met hetzelfde probleem te worstelen als zijn al net zo beduusde origineel. In leven zijn, zo scheen me toe terwijl ik daar stond met al mijn verdriet, was zowel het origineel zijn als de weerspiegeling, en dood zijn, dat was alsof je werd afgescheiden en alleen nog maar weerspiegeling was.’

200_sIk liet mijn weerspiegeling achter en bracht langs de weg nog een bezoek aan een grote M&S: research, het jongetje in mijn boek wil een cadeau kopen voor zijn moeder. Ik vulde tussen het researchen door een mandje met lekkers en legde er een paar souvenirtjes bovenop, voor de jarige hoefde ik niet lang te twijfelen: een assortiment oude Engelse kaasjes, en crackers, zoals in Wallace and Gromit (al moet ik zeggen dat de Wensleydale waar zij zo dol op zijn tegenviel).

15683255_10210346335030031_1242716593_nIk stopte toch even in Rye om iets te eten, bezocht daar de mooie boekhandel en kocht geen boek maar een doosje postkaarten, voor die cover alleen al, ik liet het inpakken maar dat was een beetje vals van me want ik ben thuis degene die kaartjes schrijft, die ene keer dat het ervan komt.  15683397_10210353348405361_155441172_n

Ik kwam ruim op tijd bij de chunnel aan, schreef nog wat tijdens het wachten en tijdens de overtocht – of moet het ondertocht zijn, de autobatterij liep niet leeg, ik kon mijn stal al ruiken.

7-johnny-cash-quotes

De rit op het rechterbaanvak van de Franse en daarna de Vlaamse autostrade verliep vlot, ik denk dat ik tamelijk hard meezong met eels (I like birds) en Johnny Cash (I see a darkness), waar verder niemand last van had, ik dreef op euforie. Dat is het mooie van weggaan: je kunt weer thuiskomen, extra leuk als er iemand op je zit te wachten, vier mannen, in mijn geval. Ik vergaf ze al hun zonden, alleen hun geur had ik nodig. We vierden met cheddar en crackers en ik stopte mijn tienjarige in bed met een verhaal alsof ik niet net even van de wereld af was gehopt.

Ik moet natuurlijk verder met mijn boek, en deze blog zit in de weg, dat is een feit. Maar het is niet dat ik ondertussen mijn personages verwaarloosde. Er woont er zelfs eentje bij ons in, ondertussen. Zijn naam is Frank, meer zeg ik niet. Als je wilt weten wie Frank is, kun je altijd mijn boek lezen. Het is een jeugdboek, maar dat is geen schande, er zijn tegenwoordig hele mooie wikkels of je kunt het e-book downloaden en digitaal lezen. Het kan ook zijn dat het je worst zal wezen wie Frank is, dat is je volste recht, maar ik ken alvast één iemand die wél geïnteresseerd zal zijn in hem. Kleine havikjes vinden Frank een lekker ding. De vraag is of ik die vogel ooit terugzie, maar als het zo is, verklap ik hem niets, wat denkt hij wel? Ik beperk me graag tot mensen als lezers, en jullie waren een fantastisch publiek.

Cheers, vanwege jullie reporter ter plaatse

15666440_10210328668268373_1058047484_n

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Advertenties

Back to Bournemouth (8)

In Over mijn werk on december 21, 2016 at 10:50 am

‘Sea, sun, fun’ staat er op de gevel van het guesthouse waar ik verblijf. Over sun en fun mag ik niet klagen, maar die sea kan beter, ik waag mijn kans en vraag aan de gastvrouw of ik de volgende nacht een kamer met zicht op zee kan krijgen. Het kan! Ik had begrepen dat het guesthouse vol zat maar er zit niemand te ontbijten, behalve ikzelf en de weirdo van de dag: een man alleen van mijn leeftijd die niet uitblinkt in sociale vaardigheden, gelukkig heb ik er altijd in mijn achterzak steken voor noodgevallen als deze. Ik vraag hem of hij de weg naar Beachy Head weet, een kaap aan de rand van Eastbourne en volgens Trotter ‘een plek waar velen naartoe komen om zelfmoord te plegen’. Hij kijkt me verschrikt aan, zegt dat hij de dag voordien inderdaad Beachy Head heeft gezocht maar niet gevonden. Was het niet gewoon de kuststrook volgen? vraag ik, en hij begint een verward verhaal over wegzakken in het keienstrand en wat nog meer. Daarna kan ik niets meer zeggen want mijn bord full English breakfast staat dampend voor mijn neus, geserveerd door Adam, ook al een reus van een vent, met maar negen vingers. Adam was vroeger prof-golfer en is een en al praatjes als je hem aanmoedigt, voor levenslust heb je geen tien vingers nodig, zeg ik altijd. Hij legt bijvoorbeeld uit hoe hij die vinger verloor, en ik leef heel erg mee, een paar maand geleden heb ik zelf bijna een vingerkootje in de mixer gelaten dus het komt aan, het is een van die onwaarschijnlijke verhalen om nooit meer te vergeten. Maar ik ben het toch vergeten. Regel nummer één: alles wat op je weg komt opschrijven. Net als de kamers zijn ook de tafeltjes hier klein en mijn bord bonen & co is groot: er is geen plaats voor een schrift. (Ik droom ondertussen van mogelijke manieren om een vinger kwijt te raken. Ooit ga ik terug en dan schrijf ik het meteen op.) Adam weet me wel de weg uit te leggen maar ook hij doet niet alsof het een plek is waar je naartoe zou willen.

15592050_10210318724379782_1660888118_n15644547_10210328668388376_1941404365_n15666063_10210318724299780_582315934_nIk wandel eerst de kuststrook af, kom langs een paar prachtige bouwwerken met de pier als hoogtepunt: de mooiste van Engeland 15673279_10210328667988366_1454805793_nwordt hij genoemd, en het moet gezegd: het is een beauty, een drijvend sprookjeskasteel waar zeemeerminnen aan wal komen voor een potje poker. Bij het einde van de dijk moet ik kiezen, ofwel verder langs het strand en dan een langs steile trap in de rotsen omhoog ofwel geleidelijker stijgen langs de weg tot bij de weiden die naar Beachy Head leiden. Het is verleidelijk om voor het strand en de trappen te kiezen maar ik vraag toch even advies aan drie locals die hun hond uitlaten – kwestie van geen zelfmoordenaar in de nek geworpen te krijgen. Ze raden me ten stelligste af om het strand op te gaan, oh no!, het is levensgevaarlijk met het opkomende tij, zeggen ze. Ze kijken me nog een hele tijd na terwijl ik de tragere weg beklim tot ze zich erbij neerleggen en zelf verder wandelen, de honden opgelucht tegen de wind op springend, één hond waggelt loom naast zijn baasje als een levend geworden treurwilg.

15644216_10210318724179777_1419455382_n 15645521_10210328668828387_1956961432_nIk kom een wegwijzer tegen en kies er kordaat een richting uit. Zo loop ik een stukje van de South Downs Way, het landschap is ruig en afgesleten door de aanhoudende windstoten, mijn ademhaling versnelt, mijn longen krijgen een zuurstofstoot toegediend, het uitzicht is fantastisch, hier loop ik toch maar. Het geeft niets dat ik even later de weg kwijt ben. En dat er niemand is aan wie ik het kan vragen. Ik zie de zee wel liggen maar al te duidelijke aanwijzingen vind ik altijd verdacht. Even later wijzen twee mountainbikers me de weg, een heel eind terug moet ik, naar waar wegenwerkers asfalt aan het gieten zijn voor een weg naar Beachy Head. Enorme machines braken een zwarte brij uit, hun lawaai overstemt alles maar de werkmannen wuiven enthousiast en ik zit weer op de goede weg dus ik wuif vrolijk terug. Maken ze een nieuwe, betere weg voor de mensen die er een eind aan willen maken, zodat ze met de auto, met hele bussen desnoods naar de klif kunnen? Als je al iets van Paasilinna hebt gelezen, zijn dergelijke gedachten je bekend. Als je dat nog niet hebt gedaan: niet twijfelen, gewoon doen, geen mooiere kerstboodschap dan die van ‘De Zelfmoordclub’. In het kort: iemand plaatst een advertentie met de vraag ‘Heb je zelfmoordplannen?’ Hij krijgt daar zoveel reactie op dat er een bus wordt ingelegd om met z’n allen naar het noordelijkste puntje van Finland te rijden en zich daar in zee te storten. Maar onderweg wordt het zo gezellig dat ze zich bedenken, behalve de chauffeur, die wil vasthouden aan het originele plan. Het is kolder, het is literair en het is Fins: overtuigender wordt het niet. De wegenwerkers zijn als een epiloog bij het boek, en ze zijn in elk geval de eersten die het een prima idee vinden dat ik naar Beachy Head wil, ze roepen nog allerlei onverstaanbaars boven het kabaal uit, high van de pekdampen vermoed ik of misschien spreken ze Fins.

15644319_10210328668748385_533614560_n15644474_10210328668788386_488321946_nBeachy Head is een bijzondere plek, er is een evenwicht van groen, wit en blauw, en in de onmetelijke diepte staat een vrolijke rood-witgestreepte vuurtoren, als een snoepje voor het oog. De krijtrotsen behoren tot de hoogste van Engeland, je kunt hier een val van 162 meter maken. Er  staan een paar clusters van kruisen, hier en daar hangt nog een restant van een politielint, alle bloemen die er liggen zijn verwelkt. Op een iets lager gelegen pad hangt een ‘Missing’-briefje aan een bank: iemand zijn hond is hier verloren gelopen, zijn kussen ligt erbij met de dwingende vraag om het te laten liggen zodat de hond zichzelf misschien met zijn neus kan redden. Dat het kussen er nog altijd ligt, stemt mij hoopvol. Hier komen tenslotte veel mensen voorbij, jongeren ook, je ziet dat kussen al die 162 meter afleggen – één baldadige bui is genoeg, maar het ligt er nog. Voor de hond zelf ziet het er dan weer niet goed uit, volgens mij kan zelfs de penetrantste hondengeur niet op tegen deze wind die je als een cirkelzaag om de oren snijdt. Maar je kunt altijd geloven dat hij veilig in de vuurtoren zit, zijn kop op de knieën van al die ongelukkigen die van de klif af stapten, elk om de beurt, er valt veel te troosten daarbeneden. Ikzelf heb geen hond bij me maar ik heb Virginia Woolf gelezen, de schrijfster van ‘To the lighthouse’, zij komt aardig in de buurt van een hondensnoet op je schoot. ‘What is the meaning of life? That was all- a simple question; one that tended to close in on one with years, the great revelation had never come. The great revelation perhaps never did come. Instead, there were little daily miracles, illuminations, matches struck unexpectedly in the dark; here was one.’ 

Ik ga een koffie drink15592422_10210318723339756_652689236_nen in de Beachy Head Inn en probeer te schrijven. Als dat niet lukt stap ik op. Op de parking van de Inn staat de ijskar van Mister Softee die blijkbaar vooral Duitse studenten verwacht – het vraagt ook wel wat onverschrokkenheid om nu een ijsje te eten. Ik wil naar mijn kamer, weg van de wind. Daar zal ik schrijven, urenlang. Ik wandel de hele weg terug met die gedachte in mijn hoofd. Straks zal ik schrijven, ongestoord. Het verhaal zit klaar, ik hoef het alleen nog in te tikken en daar heb ik mijn tien vingers voor – ook al doen er maar twee mee. Straks zal ik schrijven, met zicht op de grijze zee. Nu loop ik hier nog, de weg is lang, maar straks zal ik schrijven, en dat noem ik troost. 15666119_10210328668428377_1203616253_nc96c01aa91cded680fbdeb9f1d9f244c

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Back to Bournemouth (7)

In Over mijn werk on december 19, 2016 at 2:06 pm

15644451_10210318723499760_2121068546_nIedereen is alleen. We omringen ons met mensen bij wie we ons veilig voelen, mensen die het beste in ons naar boven halen, mensen die ons vertrouwen niet beschamen, ga zo maar door. Je bent daar een heel leven mee zoet maar in the end ben je toch alleen, en dat komt vanavond goed uit, want de kamer waarin ik slaap zou echt te krap zijn voor twee. Ik schrijf nog een uurtje op bed – het is dat of staand schrijven – en vertrek dan naar de pub om iets te eten. Het is maar vijf minuten wandelen, en ik vind het bijna jammer dat ik de pub zo snel vind, ik loop er op het mooiste moment van de dag, l’heure bleue. Alle lichtjes worden aangestoken in de hotels langs de dijk, aan de andere kant ligt de zee bedrieglijk kalm te zijn, het ene blauw loopt in het andere over, daartussen alleen het grijs van de keien op het strand en de lichtstippen van de lantaarns als uit de kluiten gewassen vuurvliegjes. Voor het donker al dat moois toedekt, ga ik de pub binnen, ik heb honger als een paard.

15645312_10210318724779792_1276433567_nIk bestel aan de toog en neem plaats aan een tafeltje, onder een van de drie tv-schermen. Twee iele jongens met stoppelbaard aan de tafel tegenover mij kijken zwijgend naar een reclamespotje van Gilette (the best a man can get): een enorme hunk scheert zich glad en laat alle hoeken van zijn glimmende kaak zien, daarna kijken de twee vrienden elkaar een beetje gegeneerd aan, ze drinken van hun pint en zakken nog wat dieper weg in hun stoel. Een meisje met roze haar brengt me mijn eten. Naast me zitten twee mannen die samen een kruiswoordraadsel oplossen, de ene leest (luid) voor, de andere, oudere man gist erop los. ‘Goes with egality and fraternity. Seven letters.‘ De oude man weet het niet. ‘It rhymes, I’ll give you that.’ ‘Money.’ ‘You’re being funny. I said seven letters.’ Hij schudt het hoofd, hij weet het echt niet. ‘Liberty!’ roept de ander voor heel de pub en dan nemen ze allebei een slokje van hun pint. Met hun dooraderd gezicht en hun zondagse pak aan zien ze eruit als schapenboeren. Over naar het volgende raadsel: ‘Caused by lack of work.’ ‘Death!’ zegt de ander meteen, zonder het benodigde aantal letters af te wachten. De man naast me knikt me toe, een vrouw moet goed eten, straalt hij uit. Hij vraagt of het smaakt en brengt daarna verslag uit aan zijn compagnon: ‘I was asking the lady here if she was enjoying her meal, a lovely plate of fish and chips she’s having’, en dan pas heb ik door dat de andere man blind is. Als hun kruiswoordraadsel ingevuld is, vertrekken ze, vader en zoon, denk ik, de zoon draagt zorg voor de vader, hij vertaalt de wereld voor die oude man die niets meer ziet, non-stop, alles wat er gebeurt, tot ze de pubdeur openduwen en een nijdige zeebries hen in het gezicht slaat – dat hoeft hij niet uit te leggen.

Vandaag is mijn middelste zoon jarig dus ik chat nog even met hem om te horen hoe zijn verjaardag verliep, ze zitten ook net aan tafel thuis. Het feestmaal komt van de afhaalchinees maar hij klaagt niet, vreemd want dat is ongeveer het enige gerecht waarover je geen kaas kunt raspen – kaas is de liefde van zijn leven, tot er zich beters aandient hoop ik. Ik geniet van de gekkigheidjes die hij me stuurt, zelfs zijn taalfoutjes vertederen me, ‘zie maar da ge nie in zee flikkerd mama’, ze komen van de goorste en vettigste veertienjarige die ik in huis heb maar ook van de liefste, de jongen met een hart van camembert. ‘Flikkert is met een t, schat’, antwoord ik.

Aan het andere eind van de pub is een meisje bezig een draaitafel ineen te schroeven en als die klus geklaard is, test ze de micro. Een dj op zondagavond? Ze legt een nummer van Michael Jackson op dat volgens mij nooit op het vasteland gehoord werd en daarna zegt ze dat ze helemaal klaar is voor de karaoke. En of wij dat ook zijn? Ik was net lit-10-morevan plan om op te stappen maar dit verandert mijn plannen, de pub komt tot leven, een zekere Steve roept dat hij wel wil beginnen, de twee schriele jongens met stoppelbaard maken zich uit de voeten nu het nog kan – misschien komen ze straks gladgeschoren terug maar dat maak ik dan niet meer mee. Er staat wat ruig volk aan de toog, een ladderzatte Japanner die twee pints tegelijk bestelt op kop, er hangt definitely een imagepub fight in de lucht maar ik wil toch een paar mensen horen zingen. In de film ‘Lost in Translation’ van Sofia Coppola zit een karaokescène waarin een Japanner ‘God save the queen’ van The Sex Pistols brult, en waarin Bill Murray onvast ‘More than this’ van Roxy Music zingt terwijl hij de ogen van Scarlett Johanssen zoekt. Karaoke als een van de mooiste liefdesscènes ooit: ik moet blijven, mijn boek gaat over de liefde, en niemand wacht op mij.

Steve bijt de spits af. Of niet? ‘Steve?’ De hele pub roept hem: ‘We want STEVE!’ Maar Steve en zijn dapperheid hebben second thoughts. In de plaats komen Rhiannon en Jenkins met ‘Tell me more’ uit Grease, ze doen iets schattigs maar zingen zou ik het niet noemen. Dan daagt Steve toch op, hij krijgt al cheers nog voor hij zijn eerste noot gezongen heeft. ‘Desperado’, kiest hij, ik herken het nummer niet maar zijn versie is echt om desperate van te worden. Toch lacht niemanhqdefaultd, Steve is klein maar potig en trilt van de spanning, zijn tattoos worden er wazig van, hij krijgt een warm applaus – you don’t mess with Steve. Daarna is er een baardige Jim aan de beurt die een parlandoversie van ‘Take a chance on me’ brengt – ABBA weer! -, het is het eerste dat echt goed klinkt maar de dj onderbreekt hem en zegt dat hij moet zingen in plaats van te praten, ze kiest een ander lied voor hem uit en dan is het weer om zeep, weinig mensen hebben the gift.

Na Jim wordt het niet meer beter, denk ik, het gebral aan de toog wordt luider en when the going gets tough, the elderly ladies get going. Ik loop langs het strand terug naar mijn guest house en eenmaal in mijn bezemhok duik ik meteen het bed in – er kan ook weinig anders. Alles in de kamer is in zeethema, de gordijnen, mijn hoofdkussen. More than this, tell me one thing, More than this, there is nothing.

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Back to Bournemouth (6)

In Over mijn werk on december 16, 2016 at 4:02 pm

Ik wil niet opscheppen, maar Sue heeft bosbessenmuffins gebakken en vraagt of ik thee wil. Ik ga in de zetel zitten, schoenen uit, het lijkt alsof iemand terug leven in mij pompt. Ze leert me wat huis-tuin-en-keukenwitchcraft, Bournemouth is niet voor niets de stad van Roald Dahls ‘De heksen’, en Sue heeft wel wat van een wijze. Ze volgde een cursus reiki en paste haar skills al met succes toe op zieken uit haar vriendenkring – ik ben niet ziek maar het kan altijd gezonder, ik geloof in haar good vibes. Als ik zeg dat ik blij ben toch nog een echte heks tegen te komen, lacht ze het weg: ‘Ik zou het niet eens tot de brandstapel geschopt hebben.’ Daar vergist ze zich, denk ik, maar een beetje heks moet ook niet te zelfbewust zijn.

’s Avonds gaan we bij de Koreaan om de hoek eten, Sue is zo vriendelijk tegen het meisje dat ons bedient dat ik niet anders kan dan aan haar eigen jeugd in de take-away denken, ze laat ook een enorme tip achter. Het eten is afgrijselijk pikant en toch ook lekker, ergens op die ene stoere smaakpapil linksachter in je mond. We eten tot het echt niet meer te blussen valt. Als we terug thuis zijn probeer ik nog even wakker te blijven, ik lig onder een dakvenster net als Isaac, de achtjarige in het au-pairgezin van mijn hoofdpersonage, ik glijd mijn boek en de nacht in.

15592236_10210285871558482_973496366_nDe volgende ochtend krijg ik porridge, versie 2.0. Havermout, hazelnootmelk, bosbessen, amandelschilfers, een snuif kaneel en haar secret ingredient: geen geroosterd paddenoog maar een mespunt grof zout. Lovely! De dag straalt, de zoveelste op rij, ik voel de prettige opwinding van het nakende vertrek, waarnaartoe weet ik nog niet, maar weg uit Bournemouth, dat is zeker. Ik weet dat ik langs Brighton kom, dat zou Londen aan de kust zijn, ik ken het van Bloc Party’s ‘Waiting for the 7:18’ waarin ze op het eind brullen van ‘Let’s drive to Brighton on the weekend’. En nu, terug thuis, lees ik dat de vijftienjarige zoon van Nick Cave er van een klif viel. Vanavond gaan we naar de film over dat verlies kijken: ‘One more time with feeling’, de ontroerende muziek van Nick Caves ‘The Skeleton Tree’ beluisterde ik heel vaak de afgelopen maanden. Ik vraag me af of ik tegen de beelden ga kunnen, maar anderzijds is je niet laten raken ook geen optie. Het is oefenverdriet voor het echte verdriet dat nog komt, met dank aan degene die mij onlangs dat mooie woord cadeau gaf.

Ik besluit toch om een stad verder te mikken: Eastbourne, dat zegt me niets behalve dat het het eindpunt is van de South Downs Way, een kustwandeling die we img_6308deze zomer gingen doen tot we op het laatste nippertje van plannen veranderden en op onze luie kont gingen liggen lezen in de warme Cevennen (een plaats voor altijd verbonden met Jude en Willem uit ‘Een klein leven’ van Yanagihara, een boek waar je veel tegen kunt inbrengen, maar dat kun je tegen de vriendschap of de liefde ook).

Ik boek een kamer in een guesthouse op de dijk van Eastbourne en ben stilaan klaar om afscheid te nemen van Sue en haar man. Ik moet door het New Forest, weet ik, op de heenreis nam ik niet de tijd om daar te wandelen, het zag er nochtans stunning uit in herfsttooi en al wandelend komen de beste ideeën. Sue weet een mooie lus van anderhalf uur naar een bijzondere plek, ik noteer de plaatsen en rijd even later weg uit de straat alsof ik er twee maanden verbleef in plaats van twee nachten, we wuiven onze arm er bijna af.

De autorit naar Beaulieu (uitgesproken als Bjoelie) leidt me langs een buitensporige kleurenpracht, op zijn Vivaldi’s, vingerdik en zonder remmingen. Ik moet wel af en toe remmen voor de wilde paarden op de weg. In Beaulieu parkeer ik de auto en begin ik te stappen naar Buckler’s Hard. Ik merk al gauw dat het niet bepaald Into the wild wordt, het pad is druk belopen, het woeste, desolate landschap waar ik daarnet door reed is hier veel minder spectaculair, ik waan me in de Blaarmeersen. Maar geen kwaad woord over de Blaarmeersen! Soms is banaliteit net wat je nodig hebt: al wandelend zie ik mijn boek voor me en krijg ik nieuwe zuurstof, ik weet meteen dat de ideeën blijvers zijn en noteer ze in mijn schrift, soms zelfs al wandelend waarbij ik één keer bijna in de gracht beland – schrijfster geveld in actie.

15577577_10210286018122146_1549166609_nAls ik veilig op een bankje zit om verder te schrijven, komt er een Duitse scheper aangehold, hij gaat recht in mijn zicht staan, het is net dezelfde hond die ik in Canada als wandelmaatje kreeg. Prompt schrijf ik hem in mijn verhaal, hij geeft me niet veel keus. Ik begin me af te vragen of ik straks met een hond naar Eastbourne rijd als zijn baasje eindelijk komt aangewandeld, hij draait zich om en huppelt uit beeld, een en al leven en kwijl, het poseren moe.

15592545_10210285645832839_1336237188_nBuckler’s Hard is een vreemde plek, een dubbele huizenrij op een groene helling bij het water. In de 18de eeuw was dit een scheepshelling waar een oorlog15592136_10210286153005518_410453781_nsschip werd gebouwd, de huizen waren bewoond door de arbeiders en de architecten, er is ook een kapelletje, een boomgaard met oude appelrassen en een pub – of course. In twee van de huizen kun je binnen en zitten er wassen beelden op je te wachten die voor eeuwig in dezelfde houding tussen de plastic worsten en broden staan, ik krijg er een beetje het Bokrijkgevoel van, al ziet het kleine meisje voor het raam er griezelig echt uit. Ik loop terug naar mijn auto terwijl ik een paar kleine clandestien geplukte appeltjes opeet, het zijn harde zurige smaakbommetjes, lekker!

15577642_10210285868398403_1201664318_n15571001_10210285868078395_1857100096_nAls ik terug in Beaulieu ben, staan er paarden op het trottoir voor een winkel, het lijkt alsof er eentje aan het shoppen is. ‘Ga jij even cash halen, schat?’ Het witte paard steekt met slepende tred over, altijd dezelfden die het geld uitg15555705_10210285796356602_454469684_neven, denkt hij.

Ik ga zelf geen winkels meer binnen want ik wil voor vijf uur in Eastbourne zijn, anders moet ik via de selfcheck binnengeraken in mijn guesthouse en daar krijg ik al klamme handjes van nog voor ik aan de instructies begonnen ben. Ik rijd goed door en haal het: een levende persoon staat me op te wachten, een vriendelijke reuzin die haar gasten keien laat beschilderen en zelf ook een boek aan het schrijven is, een kookboek, zegt ze er relativerend bij. De enige selfcheck die ik hoef te doen is deze, straks in de spiegel: ben ik hier echt?

Back to Bournemouth (5)

In Over mijn werk on december 14, 2016 at 9:51 am

Bij Sue krijg ik een kop thee, ik maak kennis met haar twee katten en vraag haar wat haar man vond van het feit dat ze zomaar iemand van de straat had geplukt. ‘Ach, zijn leven is toch veel te saai,’ zegt ze en ze vraagt of ik vanavond mee eet. Ik ga naar mijn zolderkamertje en klap mijn computer open. Het middaglicht schijnt fel naar binnen door het dakvenster, ik heb mijn leesbril aan, mijn manuscript ligt op schoot, zit geconcentreerd te lezen en schrik me een hoedje als ik een glimp van mezelf opvang in de langwerpige spiegel tegen de muur. Wie is die oude vrouw? In mijn hoofd ben ik achttien, dat moet wel als ik me wil inleven in mijn hoofdpersonage. Ga toch weg, mens, zeg ik, en laat mij werken, je ziet toch dat je in de weg zit.

ad2ed0a624b37c1a55b3f2f2939f9b13’s Avonds eet ik met Sue en haar man, ze maakte een rundsstoofpotje en bereidt de dumplings voor erbij terwijl ik toekijk, eerst kneden en dan laten rijzen in de vleessaus. Meestal heb ik het niet voor degige etenswaren maar deze dumplings hebben al een leuke naam en misschien daarom dat ik ze ook kan smaken. Sue’s nuchtere man is best sympathiek maar houdt het na de maaltijd voor bekeken en nestelt zich op de zetel tussen de langharige beauty en de grijsgestreepte straatkat in. Sue en ik praten over de waanzin van een boek in je hoofd, het immense werk om het er op de juiste manier uit te krijgen, over hoe dat te overleven, ook financieel. Zij is opgetogen over het feit dat er een echte schrijfster in haar huis logeert (ik, jaha), en ik ben overtuigd dat ik bij een beroemdheid in spe logeer, it’s all in the mind, natuurlijk, dat is het mooie. Ik slaap op de kamer van haar zoon, een muzikant, aan de muur hangt een poster waar ‘Make art, not war’ op staat, ik haal opgelucht adem dat het ‘art’ is en geen ‘love’.

De volgende ochtend heeft Sue havermoutpannenkoekjes met appel en kaneel voor me gebakken en ik krijg er een spinaziesmoothie bij. We spreken ’s avonds af, vandaag wil ik alles uit Bournemouth halen, ook uit de buurt waar mijn boek zich afspeelt want daar woon ik nu tenslotte – hoe kortstondig ook. Maar voor ik het goed besef zit ik in de pub op de hoek. Mijn koffiedrang speelt op. Er staat een bord dat brownies aanprijst maar die zijn al op, zegt de dienster. Ik vraag me af wie die opat want werkelijk iedereen drinkt bier, en bier met brownies, dat is als glühwein met oesters, om maar één vergelijking te maken. Het is een vreemd zicht, zaterdag 10u30, de pub zit halfvol, en man, vrouw, jong, oud, sportief of uitgezakt: allemaal bestellen ze a large pint. ’s Avonds vertel ik dat aan Sue en haar man en ze lachen me uit, je gaat toch niet de pub in voor een koffie, zeggen ze, daar zijn coffeehouses voor. Kan best, maar ik hoef geen lungo of latte macchiato, ik wil gewoon een koffie en in een pub begrijpen ze dat meteen. Ik hou van de sfeer, de versleten tapijten, de vijftig tinten bruin tegen de muur, de gezellige nisjes. Als ik niet uitkijk bestel ik ook een pint. Maar geen grote! Ik hou het toch maar bij koffie en als mijn kopje bijna leeg is zit ik al in mijn eerste pub fight, of toch bijna. Een groep meisjes stormt binnen en de dienster snelt ze ter hulp, ze houdt de deur dicht voor een robuuste jongen die kwaad met een gsm staat te zwaaien, cybergeweld maar dan live. Het loopt gelukkig niet uit de hand maar dat niemand van zoiets opkijkt zegt alles, Sue bevestigt dat later ook: ach, een pub fight, heel gewoon is dat, al vindt ze het er ook wel vroeg op de dag voor.

15356055_10210156781491311_973282846_nIk vertrek te voet, eerst door de wijken en dan door de stad, naar het strand, op de pier, bij de KFC, in de winkelstraten, voorbij de minigolf, het rugbyterrein, koffie hier, broodje daar, een paar bankjes in het park. De wereld kwam buiten, vandaag, het is een mooie zaterdag en alle gezinnen willen de zon in, er staat een koude wind maar dat deert niet, opwarmen doen we met frieten van het kraam – vet verenigt alle culturen – ik weet niet waar eerst te kijken en zie uiteindelijk niets meer. Ik ga op het strand zitten en probeer de dingen op een rijtje te zetten, ik ben hier voor mijn boek, waar blijven mijn personages? Ik hoor heel veel talen maar de kinderen in de branding kirren allemaal gelijk, of ja, kirren, het is meer het geluid dat je maakt als je voeten bevriezen, vergis je niet in die Engelse riviera. Ik zie gesluierde vrouwen die achter hun kleine prinsjes aan hollen op de dijk, jonge meisjes met blauw haar, roze, paars, pastelgroen haar, niet in één tros maar her en der opduikend als nieuwe stadsflora, tienermoeders die met hun ene hand hun kind frietjes voeren en met hun andere hand hun gsm aaien, gescheiden vaders die hun parttimekind meekregen met een minirugzakje aangebonden, een stel Britse pubers met gezichten bleek als het zand, een groot Pakistaans gezin met kinderen op hun glimmende paasbest voor de foto poserend onder een uitheemse boom in het park, Deliveroo-jongens op het lelijkste pleintje van Bournemouth die werkloos een honkbal naar elkaar gooien tot er iemand honger krijgt en ze moeten uitrukken, twee Russische koppeltjes die high lijken, de jongens donker en kort van bewegingen, de meisjes langharig blond en op hun hoede, ze drinken latte in coffeebar Flirt op een rij cinemastoeltjes die de haren van de meisjes uitrukken, een man die als een vrouw gekleed voorbijloopt maar verraden wordt door de diepe groeven in zijn, haar gezicht, een Zwitserse die op dat zangerige toontje uitlegt dat Duits geen Zwitsers is – als ze straks gaat jodelen, doe ik mee.

Van al die kleuren op straat ga ik me klein en kleurloos voelen. Op papier is het anders, ik las bijvoorbeeld in Teju Coles ‘Open stad’ dat de Nigerianen zichzelf de Japanners van Afrika noemen, maar dan zonder het technologische vernuft – ik moet dan wel opzoeken waar Nigeria nua35beb4884b55130120fe1a22a19031a ook weer ligt in dat Afrikaanse continent, maar ik kan de humor wel smaken. Er zit iemand tussen die het allemaal bevattelijk maakt, een schrijver. Wie kan bereiken dat mijn wereldvreemdheid in het niets oplost, zou ik zelfs eerder een tovenaar noemen. Teju Cole is dat. Patti Smith ook. En mijn jongste zoon, met wie ik elke avond voor het voorlezen de bladwijzer (een post-it) op een stad op de wereldkaart kleef. Elk om de beurt kiezen we, gisteravond was het Vorkoeta, zijn keuze, zoek maar op.

15356055_10210156781491311_973282846_nBij acute ontheemding helpt er maar één ding. Nee, niet de pub. Ik zoek de bibliotheek en vind ze verrassend snel, als de deur achter me dichtschuift slaak ik de spreekwoordelijke zucht van verlichting. Ah, bibliotheken, oorden van rust, rede en radeloosheid. Bij het cd-rek staat een zwerver die de geur van een bouillonblokje, ik loop door naar de verste uithoek, neem plaats bij het raam, de zon schijnt binnen, ik denk dat ik mijn hoofd maar gewoon op tafel ga leggen tot sluitingstijd.

15554798_10210260413922057_889695174_nMaar dan valt mijn oog op ‘Bournemouth Archives’, grote archiefboeken op metalen rekken, één per jaar. Ik trek er 1970 uit en begin te bladeren, ouderwetse krantenknipsels, iemand heeft gedurende dat jaar de schaar in de krant gezet en artikels in een boek geplakt, de traagheid ervan is een verademing, de willekeur ook, stukken van de meest uiteenlopende strekking kleven broederlijk naast elkaar gewoon omdat iemand ze belangrijk vond. Ik bots zowaar op twee stukken over de au pairs van Bournemouth! Misschien zijn er zoveel au pairs in de stad omdat er veel talenscholen zijn? Van de vijftig Duitse meisjes waarover sprake in het artikel is er slechts één zwanger geraakt, dat wordt een succes genoemd. De grootste problemen zijn koude zolderkamers en al te glijdende en uitdijende werkuren. Het is niet dat ik deze informatie nodig heb, maar het geeft me wel een nieuwe adem. En dat is nodig ook, want ik moet nog terug bij Sue geraken. Het is bergop en ik ken de weg niet, een gevaarlijke combinatie met mijn gevoel voor oriëntatie. Dus ja, ik loop verloren, lang doe ik daar niet over. Op die manier kom ik wel voorbij het gezelligste rusthuis dat ik ooit zag, een oude villa waar het net etenstijd is, ik moet me inhouden of ik schuif mee aan. Ik blijf er even naar kijken van aan de overkant van de straat, het lijkt wel een luchtspiegeling tussen de donkere dennen. De eetkamer is aangekleed als in een echt huis, met schilderijen aan de muur, lampenkappen, tafelkleedjes met bloemenprint, er staan planten voor de ramen. Het personeel herken je niet aan het klinische wit van hun kledij, maar omdat ze te jong zijn en te rechtop lopen om er te wonen. Is dit de plek waar Amélie Poulain haar oude dag slijt? Ik overweeg even om er een foto van te nemen maar hou me net op tijd in.e56cd8563ed8b5d87be2f8da1613b3e8

Het laatste stuk is vervelend, er loopt niemand op straat om de weg aan te vragen, ik zie wel een paar eekhoorns – ‘rats with good PR’ noemt Sue ze, Bournemouth stikt ervan – maar die doen ook alsof ze nergens van weten. Groot is mijn opluchting als ik eindelijk het kerkhof zie en tegen zessen kom ik bij Sue aan.

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Back to Bournemouth (4)

In Over mijn werk on december 11, 2016 at 3:05 pm

Ik duik nog een laatste keer in het zwembad, doe mijn ellipsvormige baantjes tot ik sterretjes zie en ga dan ontbijten. Aan het tafeltje naast me zitten de twee oude dametjes uit Fawlty Towers maar ze zijn minder meegaand dan in de serie, ze doen hun beklag over het personeel maar er klinkt ook bezorgdheid uit: ‘The staff doesn’t look too happy, dear, don’t you think?’ Tegenover me komt hetzelfde koppel als de dag voordien zitten. De man heeft dun, rosblond haar dat niet anders kan dan plat op de schedel vallen, en dat deed het gisteren ook, maar vandaag staat het in pieken rechtop. Het ziet er voor de grap uit en hij grijnst er ook bij, alsof hij wil zien hoe de zaal zal reageren, maar niemand kijkt op, iedereen zit zijn worstjes te tellen. Ik kan niet anders dan naar hem lachen en hij lacht samenzweerderig terug, heel tevreden is hij met zijn haar. Ook zijn vrouw valt op, met haar dikke brilmontuur, knellende witte blouse, een rok als een jutezak en een blik die zegt ‘don’t mess with me’ alsof ze geen oudere vrouw maar een boze rapper is. Misschien is ze ook een boze rapper! Van sommige mensen zou je alles willen weten, wat ze doen, hoe hun leven eruitziet als ze geen toast eten in een posh hotel.

15310550_10210156773131102_520975385_n15310288_10210156749890521_1108491255_n15416015_10210225859938229_401219828_nIk ben pas om 14u afgesproken bij Sue dus er is tijd om wat te gaan schrijven in het Russell-Cotes museum naast het hotel. In 1901 gaf meneer Russell-Cotes een Victoriaanse villa met zicht op zee als verjaardagscadeau aan zijn vrouw. Just saying. Geld én smaak kan tot mooie dingen leiden. Het koppel heeft veel en ver gereisd en van over de hele wereld brachten ze kunst mee, alles is uitgestal15319387_10210156752250580_1979102300_nd in het huis, een barok geheel van schilderijen, beeldhouwwerken, kijkkasten vol snuisterijen, gedekte tafels, kostuums, gebrandschilderd glas en ga zo maar door. Ondanks al die ravissante vondsten is het de villa die de hoofdprijs wegkaapt, en dan meer nog de zeezichten die je geëtaleerd krijgt, omkaderd met het sierlijke houtwerk van de ramen. De bezoeker wordt verleid tot traagheid want er staan overal rieten zeteltjes waaruit het moeilijk weer opstaan is.

s173Het bekendste schilderij is de Venus Verticordia van Gabriel Dante Rossetti, broer van dichteres Christina Rossetti en medeoprichter van de Prerafaëlieten, – even googlen – ‘die streefden naar een vernieuwing van de kunst door natuurbeschouwing en door de vroege Italiaanse schilderkunst (van voor Rafaël) als voorbeeld te nemen’. Rozen en kamperfoelie (honeysuckle), een appel, vlinders: het is natuur, maar Rossetti zocht zijn natuurbeschouwing vast elders. Deze Venus staart je aan met een combinatie van ‘erotic power, worldliness and indifference’: ze zal je verleiden, er valt niet aan te weerstaan, en het kan haar dan nog niet schelen ook. In mijn boek heb ik het ook over de liefde maar dan van een menselijker soort, ik schrijf over de hopelozen van de liefde, over de onmogelijke liefde, de pijn als het niet mag zijn. Een wankele dans op de koord want over de liefde is alles al gezegd, maar wankelen ga ik, tot de koord niet meer trilt maar strak staat van spanning. Ook de Franse auteur Maylis de Kerangal schrijft over de liefde in het prachtige ‘De levenden redden’, haar personages praten er het liefst over in het Engels en daar is iets van, want het ‘Engels [maakt] de grote woorden lichter, ‘leven’ en ‘liefde’ worden ‘life’ en ‘love’, vederlicht’. Maar in mijn boek past het onhandige ‘liefde’ misschien wel beter, al is er ook sweet love nodig, zo nu en dan.

15401297_10210156754490636_2100879833_nEen bedeesde man komt de ruimte binnengewandeld met een stapel partituren onder zijn arm en gaat achter de vleugelpiano zitten. En hij begint te spelen! Eerst Schubert, zag ik, dan Chopin, gok ik, korte stukken, licht en dartel. Ik zoek een stoel in de grote hal maar wil niet aangestaard worden door het meedogenloze meisje met de appel en kies er een berglandschap uit, mammoeten in een sneeuwstorm, meer natuurbeschouwing hoeft voor mij even niet. Alsof de pianist gewacht heeft tot ik ging zitten, begint hij aan de Kinderszenen van Schumann. In mijn debuutroman ‘Blijven slapen’ doet mijn hoofdpersonage piano-examen en speelt ze de eerste Kinderszene, ‘Over vreemde landen en mensen’. Kijk, aan zo’n mooie toevalligheden kan ik, wil ik niet weerstaan. De betovering is er al, nu ze nog op papier krijgen. Ik neem mijn schriftje en schrijf een uur vol, tot de pianist ermee ophoudt. Ik ga hem bedanken, ‘Thank you for the music’, zeg ik, een zinnetje dat ik alleen in ABBA-modus lijkt te kunnen uitspreken, daarna duurt het uren voor ik die oorwurm uit mijn hoofd krijg. Schumann-ABBA: 0-1.

Ik ga nog even in de orangerie zitten, de zon schijnt binnen, ik ga op een van de achterste rieten stoeltjes zitten en ik kijk uit over de tuin en daarachter de zee. Er zit een jong koppel in mijn zicht, hij doet erg zijn best en is overmatig behaard – maar het krult!, zij heeft een banaal gezicht en lang steil haar en kijkt nu al op hem neer. ‘Drop the bird’, wil ik hem toefluisteren, maar in de plaats ga ik naar buiten en installeer ik me op een van de afgelegen bankjes. 15424667_10210225859978230_1035729226_nIk zie de zee nu nog beter, maar ik wil ze vooral horen dus ga ik liggen zodat ik alleen nog de lucht zie en dan hoor ik ze, ruisend, alle andere geluiden aan de kant schuivend. Ik denk zelfs dat ik indommel – maar niet voor lang: ik ga straks naar Sue!

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Back to Bournemouth (3)

In Over mijn werk on december 8, 2016 at 9:20 am

Ik heb de nacht in halve coma doorgebracht en ontwaak als herboren: wie ben ik, waar ben ik, en vooral: wat is dit voor verdacht proper bed? Dan weet ik het weer, ik logeer in het Royal Bath Hotel and Spa, dat laatste woord betekent dat er naar hartenlust kan worden gebadderd, gebubbeld en gezweet. Ik ga voor een full English breakfast dus wil eerst een half uur zwemmen. Honger is de beste saus, zeker als er warme bonen op het menu staan. Het zwembad is niervormig wat het baantjes trekken een beetje sullig maakt, maar het is ook leeg, of toch quasi, en dat is een grote meevaller. Hoe leger, hoe liever, is mijn motto als het over zwembaden gaat. Ik geniet van de stilte van het water, de lucht achter de wazige verandaruiten is van een bemoedigend soort blauw en ook in de sauna lig ik alleen.
flat1000x1000075f-u1 Lees de rest van dit artikel »

Back to Bournemouth (2)

In Over mijn werk on december 5, 2016 at 11:34 am

Ik zit liever op een overzetboot dan in een tunnel onder het kanaal, maar omdat mijn tijd beperkt was koos ik toch voor de Chunnel. In alle vroegte vertrok ik richting Calais, vroeger een stad als alle andere maar sinds een paar jaar oord van collectieve schaamte. Ontbering, kou, gezinnen in mensonterende leefomstandigheden op een boogscheut van waar wij wonen… Dat roept verontwaardiging op, maar die is relatief want ik rij niet naar Calais om er mensen te gaan helpen, ik rij erlangs, om aan mijn eigen project te werken. Ik weet nochtans dat een boek van mij nooit de impact zal hebben van wat een leerkracht of verpleger ter plaatse doet, maar ik hoop toch iets teweeg te brengen. Zoals auteur Randall Casaer het in alle eenvoud verwoordde tijdens de premièrevoorstelling van Schrijven in de Lage Landen in het NTG: ‘ik wil dat mensen vriendelijk zijn voor mijn personages, ze met mildheid bekijken’ (hij zei dat wel veel mooier dan ik dat kan). Die personages zijn wij zelf, natuurlijk, en als auteurs en kunstenaars een schaalvergroting van die mildheid bereiken, wordt de wereld een betere plaats. Het is nog geen Kerst en ik dien jullie al een shot vrede in de harten toe, een tentenkamp in onze achtertuin moet íets teweegbrengen. Gelukkig kan ik er ook niet te lang op los prediken want ook al heb ik overwogen om een van mijn personages in het kamp van Calais te laten werken, toch heeft dat idee het niet gehaald.
In de Chunnel haal ik herinneringen op aan de enige andere keer dat ik me die kanaalgang in liet praten door een vriendin met wie ik een paar dagen Brits ging. Halverwege de rit hoorde ik water klotsen. Dat moest inbeelding zijn, toch? Niets van. Er was ook een goudvis mee. In een emmer. Deze logica moest het allemaal verklaren: het was de klasvis en hij werd al maanden verwaarloosd door de leerlingen, dus had de vriendin/leerkracht hem ontvreemd uit zijn bokaal. Verder dan dat ging haar pedagogisch plan niet, hij klotste gewoon mee het kanaal onder, recht het land van melk en honing binnen. We lieten hem met emmer en al achter aan een kerkje in Rye, maar dat is weer een ander verhaal.
Ik zit dus zoveel jaar later in die Chunnel een eind weg te mijmeren – wat hou ik van mijn vrienden, ze zijn nog gekker dan ik – als de boordcomputer van de auto plots paniekerig begint te doen. Rode lampjes en nerveuze bliepjes, het is niet hoe ik mijn dag graag zie beginnen, maar aangezien ik alleen ben, moet ik het oplossen. Je wilt niet al stilvallen nog voor je bent vertrokken. Ondanks de massa’s bordjes die mij ten strengste verbieden om de motor te starten voor het signaal gegeven wordt, doe ik precies dát: ik start de motor. Ik breng het laatste kwartier met klamme handen op het stuur door. De batterij laadt op en als de auto’s als pissebedden vanonder een bloempot uit het Chunnelgat tevoorschijn schieten, ben ook ik daarbij, bijna euforisch om het simpele feit dat ik rijd. Links rijd, moet dat zelfs zijn, maar dat is plots een detail geworden.
Ik overweeg om in Rye te stoppen voor een koffie maar je weet nooit dat er ondertussen een vreemde vissenplaag is opgedoken dus ik rij door naar Battle, een dorpje waar in 1066 de Battle of Hastings plaatsvond maar waar het nu – 950 jaar na het bloedvergieten – gezelligheid troef is. Ik ga koffie drinken in Jempson’s en bestel een scone met clotted cream om de geslaagde heroplading van mijn platte batterij te vieren. Het is er een gezellig binnen- en buitengeloop, verdacht veel locals op Crocs, ideaal om in de sfeer te komen.
Aan het tafeltje naast me zitten drie vaste klanten, ze wuiven enthousiast naar alle bekenden die voorbijlopen en becommentariëren daarna uitgebreid in wat voor stadium van ziekte of algemene uitzichtloosheid hun vrienden buiten zich bevinden. De man van het gezelschap lijkt wel de uitgemergelde broer van David Bowie met een raar, plukkerig soort snorretje op zijn bovenlip dat trilt als hij praat, maar hij zwijgt vooral. Zijn vriendin lijkt dan weer op Angelica Huston in The Dead, wat ze ook zegt, het klinkt mysterieus en melancholisch, in haar gloed wil je zitten, aan lagerwal of niet. Een fascinerend drietal is het, en hun lap-‘t-aan-m’n-laarshouding is inspirerend, ze hangen een soort landerigheid aan die je bij pubers verwacht, terwijl een van hen cool met haar elleboog op haar looprek leunt, ik zeg maar. Een vertrekkende klant schuift me de Daily Mirror toe en ik begin te lezen: over Phil Collins die voor de derde keer hertrouwt met de vrouw aan wie hij 25 miljoen betaalde na de tweede scheiding – die Phil toch -, over het jongste killer couple ooit in Groot-Brittannië  (14 jaar zijn ze, het meisje van de twee verklaarde: ‘I felt like murdering for quite a while’) en over Tonisha, een lagereschoolkind met overgewicht dat met een clownsmasker naar school was gegaan en nu was geschorst omdat ze andere kinderen blijvende nachtmerries had bezorgd. Er was veel verontrustends over het kanaal, maar dat van Phil bleef het langst hangen, en niet alleen door zijn bodemloze liefde. Het artikel had een lang vervlogen herinnering opgerakeld: ik zag Phil Collins op mijn achttiende in Bournemouth, we gingen naar de film en daar stond hij plots, het is de enige beroemdheid die ik ooit van zo dichtbij zag. Ik wist nog niet of het een goed teken was dat ik me dit herinnerde, maar ik greep het toch aan om me te onttrekken aan de verlopen Happy Days-sfeer. Ik reed de parking af – links! – en was klaar voor het eind naar Bournemouth, voortgestuwd door het ongecompliceerde melodietje van eels’ Hey man (now you’re really living) en – toegegeven – door de herwonnen levenslust van mijn autobatterij.
15310733_10210148287158958_572818915_n15319415_10210148235517667_661526848_nIn Bournemouth had ik twee nachten geboekt in het Royal Bath Hotel, dat zijn deuren al opende 15319598_10210148248517992_438866283_nin 1838. Als je je ogen tot spleetjes kneep waande je je nog altijd in dat Victoriaanse tijdperk, het gebouw ademt grandeur, de overwegend bejaarde gasten ademen dan weer iets anders. Mijn kamer heeft geen zicht op zee maar ik klaag niet, ik kan er voor een prijsje verblijven dankzij een website die hotelkamers versjachert en de hotelbusiness verziekt, maar hé, ik ga vriendelijk zijn tegen het personeel en het is ook goed voor de hotelstatistieken dat er nog eens een piepjonge gast tussen hun pilaren laveert. Ik blijf niet in mijn kamer maar ga meteen naar het strand, de zon gaat onder en maakt van de pier een plaatje uit een retroreisfolder, ik vind een kei die ‘De schreeuw’ van Munch imiteert en bedenk hoe eng het zou zijn als plots alle keien er zo uitzagen.
Als ik zulke dingen begin te denken moet ik iets eten: off to the pub dan maar. Ik bestel een klein, vettig gerechtje om met een kleine Guinness weg te spoelen en zit naast drie Amerikanen die een hamburger eten. Na afloop legt de oude man van het gezelschap vaderlijk uit aan de dienster wat hem allemaal niet aanstond: de tomaat was niet geschild, de burger was te hard gebakken, uitjes hier en sla daar en saus ginder, ya know? Het meisje blijft beleefd: ‘I’ll tell chef’ zegt ze met zo’n sérieux dat je even meegaat in de illusie dat er echt een chef in de keuken staat. Als ik twee tequila-drinkende meisjes met lange blonde haren in het West-Vlaams hun selfies van de dag hoor overlopen en dan plots besef dat ze Russisch zijn, besluit ik dat het tijd is om te gaan slapen. De lounge van het Royal Bath Hotel zit nog goed vol en de warme gloed van de lampenkapjes doet me even twijfelen om de dag daar af te sluiten, maar de gesteven lakens op mijn bed winnen het van de glanzende chesterfields. Ik kaart nog wat na met mezelf, was het geen mooie, wonderlijke dag, vraag ik me af, en voor ik kan antwoorden slaap ik al.

Back to Bournemouth (1)

In Over mijn werk on december 1, 2016 at 2:11 pm

Bournemouth is een stad in Zuid-Engeland die niemand veel zegt, maar dat zal binnenkort veranderen aangezien mijn volgende boek zich daar afspeelt. Ondertussen zit ik al ongeveer 150 bladzijden ver, het was tijd om de beelden uit mijn geheugen eens tegen de werkelijkheid te houden: ik reisde er eind oktober naartoe voor een schrijfweek. Ik gooide de auto vol boeken en cd’s alsof ik voor wéken wegging, en twee schriftjes – één bijna volgeschreven en één nieuw en leeg behalve de lijntjes die me naar het einde van mijn boek moesten brengen.
694d295ed865ba7a97d47f3de9c29494Was het absoluut nodig dat ik ging? In feite niet, ik situeerde mijn verhaal over een meisje dat als au-pair gaat werken in Bournemouth omdat ik daar op mijn achttiende zelf vijf weken verbleef. Ik was er toen niet zomaar voor de pret of voor de taal naartoe gereisd, ik was gestopt met mijn studie geneeskunde omdat ik daar niet de maag (en nog een paar andere lichaamsdelen) voor bleek te hebben, de deur van mijn kamer ging op slot en ik zat plots op de trein naar Engeland, samen met nog een paar drop-outs die hun junimaand ver van hun eigen wereld gingen doorbrengen, als waren we verbannen. Ik had er tot dan toe een feilloos parcours van slagen met glans op zitten en was doodongelukkig, maar nu had ik eindelijk eens gefaald, het was niet anders. Ik voelde me helemaal thuis tussen de losers die bovendien allemaal Frans bleken te spreken dus zou alvast toch één taal onder de knie krijgen.
Het oude dametje bij wie ik logeerde was een zuur kreng maar ze maakte eten voor mij en nog een handvol andere studenten en het recept van haar lemon pie heb ik nog altijd. Ik had een kamer op de bovenste verdieping, keek uit over een immens kerkhof en daarnaast ook over de tuin van de buren waar een atletisch gebouwde jongen elke avond voetbalde met zijn broertje, iets waar mijn anatomische interesse even van heropleefde.
d55f1fbbe0eccd0cc1a6108529f413429d298e44640153af7a2fa59d057fe7f1Ik maakte lange wandelingen door de groene wijken, kwam langs winkelblokken die zo uit My Beautiful Laundrette leken geplukt, luisterde op mijn walkman naar cassettes van The Smiths en Lloyd Cole and the Commotions en ervoer voor het eerst hoe volkomen tevreden ik kon zijn in mijn eentje, doelloos ronddwalen en niemand die iets van me verwachtte, of zelfs maar op me wachtte: ik was at peace.
De lessen bleken een makkie – tegenover het Engels van de Franssprekenden klonk het mijne heel wat Engelser. Onze leerkracht Roger gaf geen les maar verleidde ons met droge humor en een onweerstaanbaar moaning and groaning over van alles en nog wat – ook the simple present en the perfect continuous. We maakten een uitstap met de school naar de paardenraces in Ascot, een evenement waarvoor we ons moesten opdoffen. Ik had één zwarte jurk met witte stippen ingepakt die nog van mijn moeder was geweest, ik trok hem aan en voelde me verkleed maar niemand kende me daar, wat maakte het uit, zelfs de rieten hoed wilde ik opzetten. Het klikte heel erg met Roger maar omdat ik hem een oude man vond en zo naïef als een donskuiken was, had ik niet door dat zijn interesse in mij misschien ook wel anatomisch geïnspireerd was. Toen dat achteraf bleek uit een brief van hem, lag ik bijna van mijn stoel van verbazing, en ook van het feit dat die heel erg volwassen man met net dezelfde dingen bezig was als ik. Het zou toch geen waar zijn dat die puberellende een leven lang zou gaan duren? Nee, dat dacht ik toen niet, ik dacht niet na over later. Ik ben hem altijd dankbaar geweest voor zijn galante terughoudendheid, hij was a true gentleman, al wilde hij vast ook zijn job niet op het spel zetten.
Ik verhuisde nog van gezin toen ik een week langer bleef dan gepland, kwam terecht in het huis van een gelovig gezin waar een slim jongetje van zeven me probeerde te bekeren tot het Christendom. Voor het zondagse maal van lamsvlees met muntsaus werd er gebeden aan tafel, ik zat er houterig bij, de handen in de schoot en een nepgeprevel op de lippen, het jongetje keek me berispend aan, hij zou zijn handen vol hebben aan mij, zag ik hem denken. Het was hem vast nog gelukt ook als ik er langer was gebleven, maar na vijf weken wachtte de wereld thuis me op, iedereen was klaar met studeren, mijn ballingschap was voorbij, ik kon mijn vrienden terug gaan storen en aan mijn eigen leven beginnen.
27e9bd9342004f5910eff78189171ca7Het waren vijf weken waarin ik de stad totaal niet leerde kennen, waarin ik geen enkel museum bezocht, de buurjongen niet aansprak, maar één keer naar het strand ging (het was bewolkt), nooit de pier op liep, meer Frans dan Engels sprak, maar toch bloeide ik er open, hoe kortstondig ook. Als dat geen geschikte locatie is voor mijn personages, weet ik het ook niet meer. Ga dus niet naar Canada, ga naar Bournemouth: een advies waarover meer in een volgende aflevering. Over pech in de Chunnel, een lang vergeten live-ervaring met Phil Collins in Battle, een Bulgaarse hotelbediende met ambitie in The Royal Bath Hotel en de betoverende pier van Bournemouth.

Bewaren