boeken voor kleine en grote kinderen

Archive for oktober, 2016|Monthly archive page

De pijn, de blijdschap, de bosklas

In Over mijn werk, Uncategorized on oktober 10, 2016 at 4:31 pm

dsc02733dsc02747Je zet een kind op de wereld en alles wat daarrond hangt is acuut en helder en explosief, het draait om leven en dood. Daarna wordt hij langzaam wie hij is, het kabbelt, als het goed gaat tenminste. Deze zaterdag werd hij al tien, en vandaag vertrok hij op bosklas. Deze post dreigt belachelijk persoonlijk te worden, maar toch moet het even – het gaat over schrijven. De pijn en de blijdschap van het begin vallen niet te beschrijven en dat hoeft ook niet want ze vallen onder de categorie oergevoelens. Voor mij zijn de beelden van dat moment iconisch, er zit geen ruis op. Links: dé pijn, ik heb pijn, en hij heeft pijn (ook al zie je hem niet). Rechts: dé blijdschap, ik ben blij, en hij, tja, hij hapt naar adem. Alle begin is gemakkelijk.

Het is pas daarna dat het verwarring troef is, dat er ruis komt op wat we voelen. Neem nu een vertrek op bosklas. Ik spreek voor mezelf, beschouw de bus als de buik waar hij tien jaar geleden in zat en zie hem zitten bij het raam, zijn hand kleeft tegen het venster. Ik voel de duizend dingen die ik zie in zijn blik. Maar een explosie is het niet, het is eerder het tegenovergestelde, laat ik het een implosie van gevoelens noemen. Natuurlijk is dat geen groot drama – er rolde niet één traan. Toch wou ik dat er een foto bestond van dat zwarte gat in mij, een bewijs, iets. Dat kan natuurlijk niet, ik weet het wel, een implosie is onzichtbaar. Dus neem ik mijn toevlucht tot een tragere weg: woorden. In de Van Dale staan er honderdduizenden, en ik ben ondertussen al lang genoeg aan het schrijven om te weten dat de juiste woorden er altijd tussen staan. Ze zitten soms goed verstopt soms, maar ik heb tijd: mijn jongste is namelijk niet thuis.

Bewaren

Advertenties

Er zijn geen volwassenen

In Over mijn werk on oktober 6, 2016 at 12:06 pm

Je hoort nooit iemand zeggen: als kind had ik totaal geen fantasie. Je zult het ook mij niet horen zeggen, of wat dacht je. Mijn innerlijke kinderwereld was rijk en spannend, ik had veel vrienden in de houtnerven van mijn ladenkast, zes om precies te zijn. Ik zag ze overigens alleen als ik neerlag, als het stil was en er niets meer bewoog – omstandigheden waar ook veel vriendschappen in het echte leven baat zouden bij hebben – en ik vond het doodnormaal dat ze er waren. Als kind gaat het vanzelf, je echte en je imaginaire leven lopen in elkaar over, maar hoe blijf je in die twee werelden leven zonder als onvolwassen bestempeld te worden? ‘Ben jij eigenlijk wel volwassen, mama?’ vragen mijn grote kinderen me soms omdat ik het vaker niet dan wel weet. Ook daar blijf ik hun het antwoord schuldig. Er ligt hier nochtans al maanden een boek in mijn gezichtsveld met de titel ‘Waarom zou je volwassen worden?’ (yeah! denk ik elke keer als mijn oog eropvalt). Maar wat blijkt als ik de flaptekst lees, het boek gaat over waarom het je verdomde plicht is om volwassen te worden, of toch zo volwassen mogelijk – dat laatste is niet onbelangrijk, je kunt niet een beetje zwanger zijn maar wel een beetje volwassen, er is nog hoop. Ik ga Susan Neimans boek lezen en misschien krijgen mijn kinderen tegen het vieruurtje een moeder die een graad kordater is. Natuurlijk kun je verantwoordelijk zijn zonder het avontuur uit je hoofd te bannen, zal ik hen dan gefundeerd kunnen uitleggen. Ik kan hen trouwens nu al zeggen dat ik in elk geval meer met de voeten op de grond sta dan Leon Spilliaert bijvoorbeeld, van wie ik dit las op de dubbeltentoonstelling Spilliaert-Ensor:
‘Mijn individualiteit is voor mij het enige wat telt, voor mij is dat alles; van alle andere dingen ben ik niet zo zeker of ze wel bestaan. Het is als een fantasmagorie, ik bekijk het leven dat zich buiten mij afspeelt vaak met veel fantasie.’
Yeah! dacht ik toen ik dat las, als volwassen auteur van kinderboeken is het mijn verdomde plicht om die andere wereld te eren en te cultiveren, mijn verantwoordelijkheid te nemen en net als Ensor een bloemenhoed bij het zelfportret te fantaseren, de clown te zien in het veel te zwaar opgemaakte meisje op de bus (ja, De Lijn is waar het allemaal gebeurt), ‘Werken aan de Hemelpoort’ te lezen in plaats van aan de ‘Heuvelpoort’ (lijn 71).
wp_20160712_010Bij mijn grootouders hing het zelfportret met bloemenhoed van Ensor in een gouden lijst aan de muur en ik heb lang gedacht dat het een portret van mijn opa was, gemaakt door iemand die goed was in bloemen maar er wel een beetje naast zat wat gelijkende trekken betrof. Mijn grootvader liep nooit rond met een bloemenhoed en toch klopte het plaatje helemaal – zwerver, dromer die hij was, onvolwassene zou je kunnen zeggen als je het boek van Susan Neiman niet kende. Ik herinner me niet meer wanneer ik precies besefte dat het in plaats van mijn opa een beroemd zelfportret was, maar wat een moment moet dat geweest zijn. Dát gevoel: alles rondom je dat uiteenvalt in zoveel meer lagen, het plotse kaleidoscopische zicht op de wereld. Niets is wat het lijkt, als zelfs de meest banale dingen een beroemd kunstwerk kunnen zijn. Dat zal ik dus uitleggen, de volgende keer dat ze me mijn onvolwassenheid voor de voeten gooien. De kans bestaat dat de meest acute puber van het moment zal zeggen: ‘Ja, maar wat boeit het, mama?’ maar daar kan ik tegen, ik ben niet voor niets redelijk volwassen.