boeken voor kleine en grote kinderen

Ik wou dat ik dit had verzonnen

In Uncategorized on november 12, 2013 at 12:50 pm

Zondagavond gingen we naar ‘Kort’, een avond met en over het korte verhaal. Zwarte zaal, gouden vertellingen, de meeste toch, Alice Munro, Simon Carmiggelt, Annelies Verbeke, mooie namen, maar vooral die van A.L. Snijders bleef hangen. Helemaal op het einde van het programma las hij voor, eerst een verhaal over een muzikant die bij de uitgang van de Lidl zat, een Turk, vermoedde de verteller. Toen hij ermee praatte bleek het om een Bulgaar te gaan, maar belangrijker was dat de mannen elkaar begrepen, de verteller vond dat muziek maken ook werken was, en daar was de schooier-muzikant blij mee, zo blij dat hij ging schijnen als de zon. De tederheid tussen eenstemmigen, die uitdrukking gebruikte A.L. Snijders in een ander kort verhaal, en dat vond ik waar en mooi gezegd. Dat tweede verhaal was volledig verzonnen, legde de auteur uit, in tegenstelling tot het eerste over de Turk die geen Turk bleek te zijn, dat was volledig waar gebeurd en gewoon neergeschreven zoals het beleefd was. En zoiets vond de schrijver jammer. Want dát verhaal had hij willen verzinnen. Hij had het van nul willen hebben geschreven, had het uit zijn eigen hoofd willen zien stromen. Die gedachte bleef hangen bij mij. Ik snapte het wel een beetje. En toch voelde het verhaal voor een toehoorder even verzonnen aan. Even sterk ook. De verhalen van A.L. Snijders raken je op een achteloze manier, als ze al een beetje pijn doen duurt het niet lang, want hij schrijft zkv’s: Zeer Korte Verhalen, een genre door hem uitgevonden. Ik overwoog om een bundel van de man te kopen en te laten signeren, werd daar zenuwachtig van en kocht dan maar een bundel van Alice Munro. Toen vertrokken we, het was al elf uur en het zag er niet naar uit dat de kortverhalenavond tot laat in de nacht zou duren – Annelies Verbeke had ons in haar inleiding al laten weten dat het er op avonden over het korte verhaal altijd vriendelijker aan toe gaat dan op gewone literaire avonden met mensen die langere verhalen of romans schrijven. Zij kan het weten.
We reden verbazend snel naar huis, wel nog vol plannen over pas ontdekte schrijvers maar toch ook moe, klaar voor de nacht. Bij het thuiskomen zagen we onze kleine kat dood in de voortuin liggen. Overhoop gereden en daarna nog net tot bij ons huis geraakt, of iemand moet ze daar gelegd hebben, maar niet veel mensen in de straat wisten dat wij die kat hadden, hij was er nog maar zes maanden. Hij was al stijf, dus er was niets meer aan te doen. Het was zo. Dief was dood. En in de dag die volgde – de eerste Diefloze dag, alhoewel we hem wel nog begroeven maar dat was niet hetzelfde – dacht ik aan wat A.L. Snijders had gezegd: hoe hij gewild had dat hij dat ene verhaal helemaal verzonnen had in plaats van gewoon neergeschreven. En elke keer als ik met mijn ogen knipperde, elke zoveel milliseconden dat dat duurde en ook nu nog duurt, dacht ik, had jij dat maar verzonnen, van die kat in de voortuin, beste A.L. Snijders. Want jij doet dat zoveel beter. Jij had misschien iets gezegd over hoe zijn achterste poten elegant over elkaar lagen of over al de haren van zijn witte vacht die rechtopstonden, weerbarstig, als in een laatste poging om voluit te leven voor de dood hem zou wegnemen. De woorden van A.L. Snijders zouden veel pakkender zijn geweest, ik had ze daar willen lezen, bij onze voordeur, in het licht van de lantaarn met mijn jas al open. De lengte van een zkv kon ik nog aan voor ik naar bed ging, een zkv vol ontroering, ongemakkelijkheid en herkenning. Leve de literatuur. En daarna over tot de orde van de dag. Maar zo ging het niet. Er kwam een kartonnen doos aan te pas, een huilende man.
Vandaag is de tweede Diefloze dag – Dief zit nu onder de grond en we kunnen hem niet weer opgraven – en omdat ik toch íets moet doen lees ik alles wat ik over A.L. Snijders kan vinden. Met zijn futiele klacht over dat verhaal dat hij niet bedacht maar gewoon beschreven had, dat gezever, zeg! Het was goed kwaad zijn op hem, hij liet dat toe. Hij keek me schuldig aan met zo’n halve hondenblik die mensen opzetten als ze weten dat je ze zo weer vergeeft, met zijn overhangende wenkbrauwen kwam hij er goed mee weg. En dan lees ik dit:
‘Laat ik maar eens problematisch en hoogdravend beginnen: waarom schrijft iemand?
Natuurlijk niet om met woorden zijn ogen te imiteren, of zijn neus, zijn oren, zijn vingertoppen. Waarschijnlijk is het iets anders, iets hoogmoedigs, iets wat niet te bereiken is maar toch geprobeerd wordt: het beschrijven van het onbeschrijfelijke. En dat lukt nooit, want het onbeschrijfelijke is niet te beschrijven. Anders zou het wel het beschrijfelijke heten.’
(A.L. Snijders, Heimelijke vreugde 2, blz. 71)

Dus ja, de dag is al goed bezig, laat ik maar eens iets over Dief schrijven.
Dief was klein van gestalte. Zijn oren waren te groot, zijn lijf was mager en iets te lang in verhouding tot zijn grootte. De gestreepte vlek op zijn kopje leek op de krulletjespruik van een rechter als je even wilde meegaan in die trompe-l’oeil, maar hoogmoedig was hij niet, in geen geval. Katten worden ijdel genoemd, maar dit exemplaar was de minst ijdele van zijn soort, met dat donzige wit had hij best indruk kunnen maken op de buurtkatten maar zijn onhandige sprongetjes en zijn volstrekt onverwaande onstuimigheid stonden dat in de weg. Hij hield van slapen, groef zich met kop en voorpoten in in een vreselijk lelijk fleecedekentje dat we bij de slager kregen, zo’n dekentje dat allang had moeten worden weggegooid, vooral omdat we er twee van hebben. Hij waste zich natuurlijk ook, al was het geen prioriteit, misschien omdat dat ijdele ontbrak. Hij begon net het mysterie van het kattenluik te doorgronden, hij kon al naar buiten stoten, om zich daar heel verwonderd af te vragen hoe dat nu precies gegaan was. Hoe hij at, ja, ook daar heb ik bijzonderheden over. Hoe hij snorde, purr purr, hoe we dat nabootsten, alle vijf. Hoe hij zijn oogjes bijna gepijnigd dichtkneep als je hem aaide. En meer van die kattendingen. Heel veel meer. Maar het onbeschrijfelijke dat hij hier in huis bracht nam hij mee en zit een halve meter onder de grond. Het onbeschrijfelijke is van hem alleen. Wij waren de gelukkigen die zes maanden lang dat onbeschrijfelijke niet hoefden te beschrijven. En wat hebben we daarvan genoten, lieve, arme Dief.

DSC00018

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: