boeken voor kleine en grote kinderen

Archive for november, 2013|Monthly archive page

Mijn Canada (4)

In Uncategorized on november 27, 2013 at 9:34 am

De loner met de kettingzaag

Je kunt je wel voorneme2012-09-30 04.25.50n om alles met ‘wilderness’ te schrappen uit je reisplan, maar het landschap blijkt hier toch het laatste woord te hebben. Vlak naast de Misty River Lodge is een wilderness strip, een strook waar de dieren veilig kunnen afdalen naar de vallei. Het sprak dan ook voor zich dat er in deze Lodge berenverhalen zouden worden bovengehaald. Genre: op een dag stond er een beer aan de receptie, maar dan echt. Afgezien van de gegarandeerde nabijheid van wild is het hostel een verrassend aangename plek. Vers geplukte bloemen op tafel, een zeer stille nacht onder vier dikke dekens, een attente gastheer en -vrouw en vooral: rust. Een goede plek om alles even te laten bezinken, te schrijven.

2012-09-30 13.42.332012-09-30 13.43.47Ik koop souvenirtjes, eet een broodje in een coffeebar in de brede hoofdstraat van Radium Hot Springs en ga een kijkje nemen bij het enige museum dat het stadje rijk was. Dat laatste blijkt voor de durvers, niet voor het grote publiek. En eerlijk: in mijn vrije tijd ga ik ook liever niet op bezoek bij een loner die goed is met de kettingzaag. Maar goed ís hij, en voor doetjes als ik heeft hij ook aan de buitenkant van zijn huis sculpturen en opschriften voorzien.

Gastvrouw Gaby weet veel over de plaatselijke geschiedenis en is geboeid door mijn zoektocht naar sporen van mijn grootvader. Kootenay Lake is nog wel even van Radium Hot Springs, maar met de fiets is het slechts een stevige daguitstap, je moet twee keer met kabels de rivier over, vertelt haar man Geoff. Gaby brengt me een stapel boeken, onder meer ‘The Kootenays Most Complete Outdoor Recreation Guide’, en aangestoken door hun enthousiasme lees ik geboeid over soorten aas en vistechnieken. Ik laat me betoveren door een nieuwe wereld: fly fishing, kokanee, hoe en wanneer je de vetste rainbow trouts vangt in de vele inhammen van het meer… Ik kom dichter bij het doel van mijn reis. Ik zit en lees en Gaby komt af en toe een nieuw boek brengen, als in een privéarchief, maar hier hoort het gewoon bij de service. Ze geeft me ook nog een blauwe post-it met een romantip: ‘Treading Water’ van Anne Degrace, een Canadese auteur die over een meer vlak bij Kootenay Lake schreef. Ik hou alles netjes bij, als al de rest mislukt ga ik fly fishen.

2012-09-29 12.51.49Ik schrijf nog wat op de porch van het hostel, met zicht op de bergen. Het is er zo goed dat ik besluit nog een nacht te blijven, maar ’s avonds wordt mijn rust doorbroken. Er is een nieuwe gast: een grote man die met gestrekte arm op me af stapt zonder me aan te kijken. We schudden de hand. Joe werkt zes maanden van het jaar in Alaska, waar hij in een bus toeristen rondleidt door Denali National Park, vlak bij de plek waar Chris McCandless – de jongen van Into the Wild – aan zijn einde kwam. Joe woont gedurende zes maanden in het Visitor Centre, in een dorm room samen met een collega-busdriver, maar eenzaamheid kent hij niet, zegt hij met veel te luide stem, want hij heeft een moeder, een zus en een tante. Het seizoen zat erop en nu reed hij helemaal van het noorden van Alaska naar Chicago, in een piepkleine volgeladen auto. Hij kookte rijst en bonen en at dat zo uit de pot, als een hond, maar dan met een lepel. Daarna vertelt hij me nog hij dat hij soms wel eens problemen had met al te luidruchtige toeristen, die niet beseffen dat hij met one snap of his finger wel zestig mensen de afgrond in kan rijden. ‘I’d better not think of that one woman again,’ herhaalt hij een paar keer. En ik denk: als de eigenaars deze reus in míjn kamer hebben gelegd, moet ik straks toch nog rijden, in het zwart van de nacht…
De volgende ochtenscannen0004d staat de koffie klaar, Joe heeft ook voor mij gezet, hij wil een early start nemen maar wilde me toch nog een brochure geven over het Nationaal Park waar hij werkt, ‘A Wilderness Tour Companion‘. Voor je kinderen, zegt hij, met mooie kleurenfoto’s van dieren en planten, dat zullen ze toch leuk vinden? Ik schaam me om hoe ik in het donker over hem dacht. Deze man staat buiten de wereld, zeer zeker, maar met zijn aandoenlijke cadeautje steekt hij toch maar mooi over, en dat is meer dan je van mij kunt zeggen. Ik ga Joe nooit vergeten, en denk aan mijn grootvader en alle mensen die zíjn pad gekruist hebben, meer dan tachtig jaar geleden. Ik begrijp zijn fiere houding op deze foto. Hij denkt: zie mij staan, I did it!

Mijn Canada (3)

In Over mijn werk, Uncategorized on november 19, 2013 at 7:59 am

De ideale lifter

Jasper was mijn eindbestemming voor de dag. Even buiten de stad stopte ik bij een Wilderness Hostel, een hut waar zelfs geen watervoorziening was. Ik overwoog even mijn opties. Er blijven, door het bos naar de rivier stappen om water te halen en daarna het water ook nog koken, of gewoon naar de stad doorrijden. Hm. De plek had wel iets, en moest de Franse filosoof Sylvain Tesson (auteur van ‘Zes maanden in de Siberische wouden’) niet eerst door een metersdikke ijslaag boren vooraleer hij aan water kón? Anderzijds had ik tijdens deze trip echt geen ambitie om zelf ‘Into the wild’ te spelen. Ik reisde met een trolley op wieltjes, om maar iets te noemen. Ik sleepte wel acht boeken mee maar geen enkele zaklamp, laat staan waterzuiveringstabletten. Ik besloot alles met het woord ‘Wilderness’ uit de weg te gaan en reed naar Jasper zelf, waar ik in een kleine te dure kamer belandde, met zicht op de Rockies als je het metalen gaas en de dertien schoorstenen wegdacht.
2012-09-29 04.32.55Beneden in het café van het Athabasca Hotel was de fuif volop aan de gang, groepen uitgelaten jongeren dronken zich moed in om de stap naar de ware of toch naar wat gepotel in de lobby te vergemakkelijken. Ik zag zwaar opgemaakte meisjes schichtig om zich heen kijken en herinnerde me mijn eigen wanhoop en paniek op avonden vol jongens en jolijt. Met een blikje Kokanee en een grote zak zoute chips (doktersvoorschrift!) bouwde ik mijn eigen feestje, de kaart van West-Canada opengevouwen op mijn veel te hoge bed. Het feest was kort. Eén blik op de kaart wees uit dat er maar een enkele weg terug was: diezelfde oogverblindende maar eindeloze Icefields Parkway. In Canada zijn er geen honderden wegen om je doel te bereiken zoals hier, meestal is er maar één, als je geluk hebt. Wel goed dat ik geen gps had aangeschaft, maar Jasper lag toch iets te ver buiten koers naar mijn zin, het was te ver van mijn boek ook, en de bergen hier waren me ook té.
Toen ik ’s nachts naar het toilet wilde, moest ik over een dronken jongen stappen die het ongeveer voor mijn deur voor bekeken had gehouden. Had hij geen meisje kunnen strikken? Of net wel? Ik kon me niet over hem ontfermen, hij sliep als een roos en ik lag al een halve nacht wakker, slapeloze uren waarin ik me afvroeg waarom ik toch zo ver was gereden, waarom het zo heet was in de kamer, waarom ik op een toog in plaats van in een bed lag.
2012-09-29 04.32.41In een rothumeur stond ik op. Ik wilde geen seconde langer in het hotel blijven en ging ontbijten in Smitty’s, een typisch Amerikaanse tent waar je op met skai beklede bankjes kon plaatsnemen, net als in Happy Days, maar zelfs the Fonz in eigen persoon had me niet kunnen opbeuren. De meeste klanten aten bergen vlees als ontbijt, ik bestelde toast met marmelade, de jonge ober kwam me wel vijf keer koffie bijschenken in een poging me alsnog een happy day te bezorgen.

2012-09-29 07.43.38Niet echt verzoend met het idee van honderden kilometers terug te rijden stapte ik in mijn huurwagen. Mijn gsm werkte niet en door het tijdsverschil was ook skypen geen optie op dit uur, terwijl ik gewoon iemand nodig had om tegen te foeteren. Iemand die goed kon luisteren. Hij hoefde het niet eens te begrijpen, als hij maar eens knikte, zo nu en dan. Hij hoefde niet ook nog eens belezen, attent, jong en knap te zijn, dat vroeg ik niet. Toen reed ik een lifter voorbij. Zwaar beladen stond hij daar langs de kant van de weg, een rugzak als een kleine koelkast op zijn rug gegord en een grote bidon water in de hand. Enter Dennis, een Duitse backpacker die al maanden Canada doorkruiste. En ja, Dennis was al die dingen ineen. Ik kon het ook niet helpen! Hij stonk niet eens. De ideale lifter.
Nadat ik uitgeraasd was vertelde ik hem waarover mijn boek ging, maar we hadden uren de tijd dus ik vertelde het in detail, ik bedacht al pratend nieuwe wendingen, had inzichten waar ik al maanden op aan het wachten was. En voor het eerst dacht ik niet eens meer na over dat autorijden, de rode automatic maakte eindelijk zijn naam waar. Ook Dennis schreef, zo bleek, en ook hij nam de tijd om mij nauwkeurig uit te leggen waarover, en zo belandden we langzaamaan en als vanzelf in elkaars verhalen. We praatten over de Amerikaanse avonturier en dromer Chris McCandless die de beschaving helemaal achter zich wilde laten (prachtig verfilmd door Sean Penn). Ik kwam al snel terug op mijn kordate aankondiging dat ik geen enkele keer zou stoppen voor we in Lake Louise waren, er zijn nu eenmaal plekken waar je niet zomaar voorbijrijdt, ook al had je ze de dag daarvoor nog maar gezien. De zon zat anders, nu. Dat maakt weinig verschil als je van Zelzate naar Dendermonde rijdt, maar niet zo in de Rocky Mountains.
2012-09-29 09.35.29We gingen nog picknicken in de turquoise schijn van Lake Louise en tijdens een boterham met cream and onion chips vertelde Dennis mij zíjn berenverhalen – hij was tenslotte al maanden op Canadese bodem. De Japanners verdrongen zich om ons heen om het plaatje juist te krijgen, maar wij zaten bij de waterrand en hoorden alleen hun hoge gilletjes en af en toe een klik. Toen het tijd werd om verder te rijden, zette ik Dennis af aan de camping van Lake Louise en namen we afscheid van een dag waarin je je verzoent met alle dingen goed en kwaad. Met een perfecte U-bocht van een ondraaglijke lichtheid snorde ik het campingterrein af, de weg op, om nog een paar uur verder zuidwaarts te rijden.
2012-09-30 13.47.382012-09-30 09.50.46In Radium Hot Springs besloot ik dat het welletjes was. Het was er zo lelijk dat het weer mooi werd, en ik vond een kamer in het hostel aan de rand van het stadje, waar ik de enige gast was van natuurliefhebbers Geoff en Gaby, een Australiër en een Duitse. Ik was onderweg voorbij de Hot Springs gereden en herkende de plek van de foto’s die ik een paar dagen daarvoor had gezien. Dat toeval was te groot om er geen bezoekje meer te brengen. In het echt werd het sepia van de foto’s vervangen door zachtblauw en groengrijs, het schemerde al en het mistlaagje boven het warme water vertraagde alle bewegingen, dekte de bezigheden van de dag toe. Er was wel wat volk, locals die er met of zonder kinderen kwamen genieten van hun rotsen en hun stoom. 2012-09-29 15.37.31Bij de kleedkamers waande ik me in een Oost-Duits badhuis, vale kleuren, eenvoudige wasbakken en douches, nergens iets wat schreeuwde of opgeleukt was, gewoon de schoonheid van kaal beton en verweerd hout. Het leek bijna een concept, als in een zensauna in pakweg Lochristi waar de binnenhuisdesigner met een moodboard vol grijstinten aan de slag gegaan was, alleen was dit echt, een plek die zichzelf gebleven was. En ik was daar beland, als in een omgekeerde editie van Alice in Wonderland. Ik legde mijn hoofd op de rotsen en bedacht dat het goed was dat ik niets op voorhand had gepland. Ik moest naar Kootenay Lake, ja, naar de plek waar mijn grootvader aan de spoorweg gewerkt had. Maar ik had nog tijd. Ik was onderweg, niet zomaar, maar écht onderweg.

Mijn Canada (2)

In Over mijn werk, Uncategorized on november 13, 2013 at 10:51 am

Schietgebedjes en amandelen
De volgende ochtend ontwaak ik als uit een coma in het hostel van Canmore, de kamer is voor zes personen maar er ligt niemand, alleen ik knipper in het felle licht. Op een van de bedden ligt wel een slaapzak, ik was dus niet alleen vannacht. Mijn kamergenoot is attent de kamer uitgeslopen of ik moet zo diep in slaap zijn geweest dat ik niets heb gehoord. Iets zegt me dat het het eerste is. Haar kleren hangen daarvoor te netjes aan haakjes tegen de muur, alsof zelfs zij me niet willen storen. Kort daarna ontmoet ik Ingrid. Een vrouw met een glimlach van oor tot oor en snoezige lijntjes om haar ogen, ze is zestig dus je zou het met recht rimpels kunnen noemen maar daar kijkt ze veel te fris voor, niet verfrommeld maar net heel alert. Misschien heeft ze ook over de stekelvarkens gehoord. Ingrid blijkt een godsgeschenk. Want wat de avond voordien goed was afgelopen, begon vandaag weer helemaal opnieuw: ik moest die auto weer in, misschien zelfs eerst een familie stekelvarkens uitmoorden vooraleer ik de baan op kon. De muren en de vloer bewogen niet meer, de bergen staarden me ijzig en onwrikbaar aan, vanuit het raam kon ik de Three Sisters zien, drie zusterpieken die de schouders hoog hielden en me leken te vragen: wat doe jíj hier? 2012-09-27 09.38.27
Ingrid was op haar twintigste vanuit Duitsland naar Canada verhuisd, bijna net als mijn grootvader, alleen is zij gebleven. Ze zakte al haar halve leven nu en dan eens naar de Rockies af, alleen, voor een tochtje, meer niet. Het was maar een uur of vier rijden van waar ze woonde in de prairie, waar het zo plat en leeg was dat als de hond wegliep van huis, je hem drie weken later nog kon zien lopen. Ik vertelde haar wat ik kwam doen – mijn grootvader achterna, een boek schrijven, het grootse van Canada met eigen ogen zien – en zij knikte alsof dat de logica zelf was. Zonder te betuttelen gaf ze me het duwtje dat ik nodig had om terug dat automatische monster op wielen in te stappen. Ze zei: ‘I will pray for you, every day you’re here,’ en ze bedoelde dat heel praktisch, ze hing aaneen van de boterhamzakjes en de thermoskannen en de extra elastiekjes voor je weet maar nooit. En dus ook van de instantgebedjes. Voor ik ging vertelde ze me nog haar sterkste berenverhalen – iedereen die ik tegenkwam had er wel een paar – de avond voordien bijvoorbeeld had ze een beer gezien, vlak bij de hut. En ik ze maar knijpen voor een stekelvarken. Ingrid gaf me vleugels, ik stapte gezwind het rode gevaar in en startte alsof ik nooit iets anders gedaan had. On the road met mij! Drie minuten later zat ik vast op een doodlopende grindweg. Maar dankzij Ingrid viel die ene vraag waar alles mee staat of valt weg. In plaats van ‘wat doe ik hier?’, dacht ik: ‘hier ben ik’.

2012-09-27 12.15.14

Als ik Banff binnenrijd, ervaar ik een vreemde combinatie van western- en wintersportsfeer. Ik parkeer en ben allang blij dat ik even niet aan schakelen hoef te denken – of beter: aan vooral niet schakelen – en ik eet amandelen op een bankje in de hoofdstraat. Amandelen zijn goed voor van alles, dat is bewezen. Ik knabbel me te pletter. Ik zou ook kunnen gaan wandelen, de buurt verkennen, maar ik raak niet van dat bankje af. Banff. Alberta. Canada. Er zijn nog amandelen. Ik sta mezelf toe me even in mijn gedachten aan thuis te nestelen, eventjes maar, mijn hoofd in het vertrouwde onderdompelen. Voor mijn opa moet het wel anders zijn geweest, die was op zoek naar avontuur, naar een nieuw leven, en niet omdat het thuis zo goed was. Ik ben een luxereiziger en pas dus in die zin in het luxueuze winterresort Banff, maar ik blijf er niet. Ik zoek mijn rode reisgezel, hij die me automatisch zal brengen waar ik wil, in dit geval naar het Castlemountain Hostel – een tip van Ingrid – waar waard Tony me opwacht.
2012-09-28 05.19.082012-09-27 14.41.33Tony blijkt een vreemde gastheer die zonder waarschuwing van uiterst vriendelijk naar koudweg bevelend overschakelt. Ja hoor, ik ben echt welkom, maar eerst moet ik mijn bed netjes opmaken, mijn groceries wegstoppen op de voorziene plaats, en daarna, ja daarna kunnen we een hartelijk woordje wisselen. Het hostel ligt bij Castlemountain, een bergketen die opdoemt boven het hostel als een granieten kasteel. Er ligt sneeuw van oktober tot mei, en Tony heeft geen auto. Hij kon daar wel mee leven, zei hij, ‘to a certain point’. Ik hoopte maar dat hij niet net die avond dat certain point zou bereiken, als hij zag hoe slecht ik was in bedden opmaken bijvoorbeeld. Hoe hij iedereen zijn naam iets te nadrukkelijk uitsprak: Loreeeeena, Soezènne (Suzanne), en ja, Evelien. ’s Avonds zaten we rond een houtkachel op kussens, iedereen las, een oude vrouw lachte om de haverklap met iets in haar boek – hahaha! – en dan keek ze een beetje aanstellerig betrapt om zich heen. Ze had het vroeger altijd te koud en nu altijd te warm, vertelde ze aan niemand in het bijzonder, en dat kwam omdat ze zoveel groenten had gegeten. Zoveel dat het koud hebben er niet meer in zat voor haar. Ikzelf eet al jaren massa’s groenten en heb het nog altijd vaak koud, maar dat zei ik haar niet, het was zo ook duidelijk dat het niets zou worden tussen ons. Omdat lezen niet lukte bladerde ik in een fotoboek met oude zwart-witbeelden van warmwaterbronnen in Radium Hot Springs, korrelige, dampende, ruwe landschappen. Ik kroop vroeg onder de wol en de volgende ochtend ontbeet ik met niemand minder dan Ingrid. Ze was er later op de avond nog beland en was meteen haar bed in gedoken, maar bij het ontbijt zaten we te kletsen als twee oude bekenden. Ingrid overtuigde me om de Icefields Parkway helemaal tot in Jasper te volgen nu ik er toch was, de mooiste highway van de wereld, een autoweg tussen de gletsjers, langs plaatsen waar je normaal gezien pas na drie dagen klimmen met een halve buitensportwinkel om je nek kwam. We namen afscheid en Tony bekeek het warm, hij zou het nog even uithouden daar, net lang genoeg om mij uit te zwaaien dan toch, met een stralende Ingrid aan zijn zijde. Hoe lang was ik in Canada? 36 uur? En niet minder dan twee mensen wuifden me al uit. Goed, misschien waren ze gewoon bezorgd als ze me de auto in achteruit hoorden zetten, maar ikzelf was klaar voor die Icefields Parkway, voor de Rockies in vol ornaat.
2012-09-28 11.11.072012-09-28 08.28.43

Ik wou dat ik dit had verzonnen

In Uncategorized on november 12, 2013 at 12:50 pm

Zondagavond gingen we naar ‘Kort’, een avond met en over het korte verhaal. Zwarte zaal, gouden vertellingen, de meeste toch, Alice Munro, Simon Carmiggelt, Annelies Verbeke, mooie namen, maar vooral die van A.L. Snijders bleef hangen. Helemaal op het einde van het programma las hij voor, eerst een verhaal over een muzikant die bij de uitgang van de Lidl zat, een Turk, vermoedde de verteller. Toen hij ermee praatte bleek het om een Bulgaar te gaan, maar belangrijker was dat de mannen elkaar begrepen, de verteller vond dat muziek maken ook werken was, en daar was de schooier-muzikant blij mee, zo blij dat hij ging schijnen als de zon. De tederheid tussen eenstemmigen, die uitdrukking gebruikte A.L. Snijders in een ander kort verhaal, en dat vond ik waar en mooi gezegd. Dat tweede verhaal was volledig verzonnen, legde de auteur uit, in tegenstelling tot het eerste over de Turk die geen Turk bleek te zijn, dat was volledig waar gebeurd en gewoon neergeschreven zoals het beleefd was. En zoiets vond de schrijver jammer. Want dát verhaal had hij willen verzinnen. Hij had het van nul willen hebben geschreven, had het uit zijn eigen hoofd willen zien stromen. Die gedachte bleef hangen bij mij. Ik snapte het wel een beetje. En toch voelde het verhaal voor een toehoorder even verzonnen aan. Even sterk ook. De verhalen van A.L. Snijders raken je op een achteloze manier, als ze al een beetje pijn doen duurt het niet lang, want hij schrijft zkv’s: Zeer Korte Verhalen, een genre door hem uitgevonden. Ik overwoog om een bundel van de man te kopen en te laten signeren, werd daar zenuwachtig van en kocht dan maar een bundel van Alice Munro. Toen vertrokken we, het was al elf uur en het zag er niet naar uit dat de kortverhalenavond tot laat in de nacht zou duren – Annelies Verbeke had ons in haar inleiding al laten weten dat het er op avonden over het korte verhaal altijd vriendelijker aan toe gaat dan op gewone literaire avonden met mensen die langere verhalen of romans schrijven. Zij kan het weten.
We reden verbazend snel naar huis, wel nog vol plannen over pas ontdekte schrijvers maar toch ook moe, klaar voor de nacht. Bij het thuiskomen zagen we onze kleine kat dood in de voortuin liggen. Overhoop gereden en daarna nog net tot bij ons huis geraakt, of iemand moet ze daar gelegd hebben, maar niet veel mensen in de straat wisten dat wij die kat hadden, hij was er nog maar zes maanden. Hij was al stijf, dus er was niets meer aan te doen. Het was zo. Dief was dood. En in de dag die volgde – de eerste Diefloze dag, alhoewel we hem wel nog begroeven maar dat was niet hetzelfde – dacht ik aan wat A.L. Snijders had gezegd: hoe hij gewild had dat hij dat ene verhaal helemaal verzonnen had in plaats van gewoon neergeschreven. En elke keer als ik met mijn ogen knipperde, elke zoveel milliseconden dat dat duurde en ook nu nog duurt, dacht ik, had jij dat maar verzonnen, van die kat in de voortuin, beste A.L. Snijders. Want jij doet dat zoveel beter. Jij had misschien iets gezegd over hoe zijn achterste poten elegant over elkaar lagen of over al de haren van zijn witte vacht die rechtopstonden, weerbarstig, als in een laatste poging om voluit te leven voor de dood hem zou wegnemen. De woorden van A.L. Snijders zouden veel pakkender zijn geweest, ik had ze daar willen lezen, bij onze voordeur, in het licht van de lantaarn met mijn jas al open. De lengte van een zkv kon ik nog aan voor ik naar bed ging, een zkv vol ontroering, ongemakkelijkheid en herkenning. Leve de literatuur. En daarna over tot de orde van de dag. Maar zo ging het niet. Er kwam een kartonnen doos aan te pas, een huilende man.
Vandaag is de tweede Diefloze dag – Dief zit nu onder de grond en we kunnen hem niet weer opgraven – en omdat ik toch íets moet doen lees ik alles wat ik over A.L. Snijders kan vinden. Met zijn futiele klacht over dat verhaal dat hij niet bedacht maar gewoon beschreven had, dat gezever, zeg! Het was goed kwaad zijn op hem, hij liet dat toe. Hij keek me schuldig aan met zo’n halve hondenblik die mensen opzetten als ze weten dat je ze zo weer vergeeft, met zijn overhangende wenkbrauwen kwam hij er goed mee weg. En dan lees ik dit:
‘Laat ik maar eens problematisch en hoogdravend beginnen: waarom schrijft iemand?
Natuurlijk niet om met woorden zijn ogen te imiteren, of zijn neus, zijn oren, zijn vingertoppen. Waarschijnlijk is het iets anders, iets hoogmoedigs, iets wat niet te bereiken is maar toch geprobeerd wordt: het beschrijven van het onbeschrijfelijke. En dat lukt nooit, want het onbeschrijfelijke is niet te beschrijven. Anders zou het wel het beschrijfelijke heten.’
(A.L. Snijders, Heimelijke vreugde 2, blz. 71)

Dus ja, de dag is al goed bezig, laat ik maar eens iets over Dief schrijven.
Dief was klein van gestalte. Zijn oren waren te groot, zijn lijf was mager en iets te lang in verhouding tot zijn grootte. De gestreepte vlek op zijn kopje leek op de krulletjespruik van een rechter als je even wilde meegaan in die trompe-l’oeil, maar hoogmoedig was hij niet, in geen geval. Katten worden ijdel genoemd, maar dit exemplaar was de minst ijdele van zijn soort, met dat donzige wit had hij best indruk kunnen maken op de buurtkatten maar zijn onhandige sprongetjes en zijn volstrekt onverwaande onstuimigheid stonden dat in de weg. Hij hield van slapen, groef zich met kop en voorpoten in in een vreselijk lelijk fleecedekentje dat we bij de slager kregen, zo’n dekentje dat allang had moeten worden weggegooid, vooral omdat we er twee van hebben. Hij waste zich natuurlijk ook, al was het geen prioriteit, misschien omdat dat ijdele ontbrak. Hij begon net het mysterie van het kattenluik te doorgronden, hij kon al naar buiten stoten, om zich daar heel verwonderd af te vragen hoe dat nu precies gegaan was. Hoe hij at, ja, ook daar heb ik bijzonderheden over. Hoe hij snorde, purr purr, hoe we dat nabootsten, alle vijf. Hoe hij zijn oogjes bijna gepijnigd dichtkneep als je hem aaide. En meer van die kattendingen. Heel veel meer. Maar het onbeschrijfelijke dat hij hier in huis bracht nam hij mee en zit een halve meter onder de grond. Het onbeschrijfelijke is van hem alleen. Wij waren de gelukkigen die zes maanden lang dat onbeschrijfelijke niet hoefden te beschrijven. En wat hebben we daarvan genoten, lieve, arme Dief.

DSC00018

Mijn Canada (1)

In Over mijn werk, Uncategorized on november 6, 2013 at 11:08 am

Lost in translation

Vorig jaar ging ik naar Canada omdat ik een boek aan het schrijven ben over mijn grootvader die daar in 1929 zijn geluk was gaan zoeken. Dat boek is bijna af. Bijna! Ook al is het nooit echt af, wat mij betreft, maar mijn uitgever denkt daar anders over. Dus in januari, ten laatste begin februari 2014 ligt de tekst tussen een harde kaft te wachten op lezers, en heb ik er niets meer over te piepen.
Over de reis zelf schreef ik weinig omdat ik de ervaring moeilijk in woorden te vatten vond. Maar nu denk ik daar anders over. Er zijn dingen die je beter niet vergeet, en ze beschrijven op papier roept veel meer details op dan als ik ze ergens in mijn volle hoofd laat slingeren. Het is het herfstlicht dat me ertoe aanzet, en het nakende afscheid van een verhaal waarin ik zo lang heb kunnen vluchten.
Zodus: een laat verslag van de laatbloeier die ik ben, helemaal tegen de tijdsgeest van instant-sharing in. Zo zag mijn Canada eruit.

scannen0007Mijn grootvader Maurice De Vlieger reisde in 1929 in zijn eentje naar Canada, op zoek naar een nieuw leven. Hij werd daar verliefd op een Duitse migrante, ‘een bevallig meisje van achttien jaren’, maar de crisis stak een stokje tussen hun prille romance.

Zelf vertrek ik op 25 september 2012 met de eerste trein vanuit Gent, een half uur later heb ik zelf al een huwelijksaanzoek aan mijn been. In Antwerpen heb ik tijd voor een koffie in Starbucks – mijn eerste bezoek aan die keten – een gewoon formaat koffie komt in de vorm van een dampende emmer gloedheet zwart vocht. De enige andere vroege vogel is een nieuwe Gentenaar uit Polen, twintig jaar getrouwd en vader van een tweeling van tweeëntwintig jaar maar als hij eerlijk is geen voorstander van kinderen binnen het huwelijk. En eerlijk is hij: hij zoekt een nieuwe partner en gaat ervoor, ook om 6u10 kun je de slag van je leven slaan. We zijn allebei van Gent en duidelijk allebei op de dool, lijkt hij te vinden. Mijn verhaal over het vertrek naar Canada pikt hij niet. Canada? Het zal wel.
Op de trein naar Schiphol komt er in Dordrecht een keurige dertiger tegenover me zitten: strak wit hemd, hippe designerjeans, rode varkensneus. Hij verspreidt zo’n alcohollucht dat ik overweeg om elders te gaan zitten. Ik moet denken aan wat ik de vorige avond las op de site van de jeugdherberg waar ik die nacht zal slapen, dat je kippengaas bij je moet hebben omdat er ’s nachts stekelvarkens onder je auto kruipen. Stekelvarkens! Het zijn geen beren, nee, maar of ik die beesten nu in mijn eentje te lijf wil zo ver van huis? Ik, die nauwelijks een poes durf te aaien? Ik hoop op een vroege winterslaap voor de stekelvarkens en ben blij als de dronken jongeman uitstapt voor ik zelf beneveld raak.
Op het vliegtuig staat een man met uniform – de piloot? – me met uitgestrekte hand op te wachten. Ik vind dat erg verwelkomend van de Nederlanders, maar blijkt dat hij alleen mijn boarding pass wilde zien. ‘Nou, dat mag ook,’ zegt hij olijk en drukt me alsnog de hand, maar met zo’n lachje om zijn mond. Een boerinnetje op reis ben ik. Maar was mijn grootvader ook geen keuterboertje bij vertrek? Wacht tot ik terugkom.
Er ligt een oudere vrouw met een hele lange vlecht te slapen op de grond, wat niet mag van de stewardess maar van zodra die zich omdraait valt de vrouw weer op het tapijt neer en slaapt ze binnen de minuut, met open mond. Ze lapt alles aan haar laars. Diezelfde stewardess denkt dat ik smeltwater bestel terwijl ik nochtans duidelijk om ‘spuitwater’ vraag, maar daar doen ze in Holland natuurlijk niet aan. Als de spraakverwarring nu al zo groot is, wat wordt dat dan straks, over de plas? Ben ik echt zo wereldvreemd? Lost in translation, dat gaat bij mij nooit over, ook niet als we dezelfde taal spreken. Eenmaal op Canadese grond blijkt dat het helemaal niet over taal gaat. Echt niet. Het gaat over autorijden. Ik heb mijn rijbewijs al meer dan twintig jaar geleden behaald maar plots lukt het niet meer. Een automatic, ja, dat is gemakkelijker dan een gewone auto, hadden mensen me thuis verzekerd. Het woord zegt het zelf! Dus toch wee2012-09-28 10.08.19r die taal. Want een automatic bestuurt zichzelf niet, ik kan het weten. Na een vol uur rondjes draaien in de ondergrondse parkeergarage van de verhuurbedrijven vraag ik voor de zoveelste keer aan het Aziatische Avishulpje: ‘Am I ready for the road?’ ‘No, ma’m,’ antwoordt hij met een ondertussen even verschrikte blik als ik. ‘Do one more round.’ Het hele team zwaait me bezorgd uit als ik me uiteindelijk toch de straten van Calgary op gooi, met bonzend hart en veel spijt over mijn boude plan om helemaal alleen mijn grootvaders voetsporen te volgen. Het is al donker als ik na een absurde rit van drie uur – één uur volgens Google-maps – in Canmore aankom. De Highway leidde me nu al langs spectaculaire landschappe2012-09-27 05.20.45n maar ik lette vooral op de weg: ik had toch nog niet om zoveel moois gevraagd? De steep shoulders waren regelrechte afgronden en zonder gsm wilde ik daar liever niet in belanden. Op één plek moest ik over een modderstroom die de weg bijna blokkeerde. Het regende pijpenstelen. Het was hels, en de Automatic wende niet. Maar toen kwam ik aan in Canmore. Ik vond de weg naar de jeugdherberg meteen. Er was geen stekelvarken te bespeuren. Ik at een heerlijk verlept broodje en dronk een fantastisch flets Canadees biertje. De vloer bewoog onder me, en eigenlijk bewogen ook de muren, zo moe was ik. Maar ik was er. En als ik tot hier geraakt was, zou de rest als vanzelf gaan.